Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schub - (huidplaatje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schub zn. ‘huidplaatje’
Mnl. een schubbe van vissche [1494; MNW]; vnnl. de schubben afdoen ‘de schubben verwijderen’ [1573; Thes.], schobbe, schubbe ‘schub’ [1588; Kil.].
Een jonger woord dat het gewone Middelnederlandse woord schelle ‘schub’ (zie → schil) volledig heeft vervangen. Aanvankelijk komt het woord, evenals de hieronder genoemde Neder- en Hoogduitse woorden, vooral voor m.b.t. het ontdoen van schubben. Vandaar ook het werkwoord mnl./vnnl. sc(h)ubben ‘ontdoen van schubben of schilfers’ [15e eeuw; MNW].
Mnd. schubbe ‘schub’; nfri. skobbe ‘id.’. Daarnaast staan, met dezelfde betekenis: mnd. schove; ohd. scuoba (mhd. schuop(p)e, nhd. Schuppe); < pgm. *skōb-. Een Middelnederlands equivalent *scho(e)ve is echter niet geattesteerd. Deze laatste groep woorden hoort vrijwel zeker ablautend bij → schaven. De klinker van mnl. en mnd. schubbe is hier echter niet mee verenigbaar. Mogelijk is schubbe, voorheen ook schobbe, volksetymologisch beïnvloed door mnl. schubben ‘schoonborstelen’, nevenvorm van schrubben ‘id.’, zie → schrobben, of door mnd. schubben ‘wrijven, schuren’, dat teruggaat op de wortel van → schuiven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schub*, schubbe [plaatje op bv. vissenhuid] {schubbe 1494} middelnederduits schubbe, oudhoogduits scuoppa; van schaven, waarbij middelnederlands schobben, schubben [jeuken, krauwen] mogelijk van invloed is geweest.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schub znw. v., later-mnl. scubbe v. ‘schubʼ, mnd. schubbe; daarnaast ohd. ohd. scuoppa (nhd. schuppe), mnd. schōpe, schōve ‘schubʼ. — De verhouding van deze woorden is niet door­zichtig. De nd. en hd. woorden behoren tot de groep van schaven; daarbij past echter de klinker van schub niet. Staat deze onder de invloed van mnl. scubben, scobben ‘krabben, jeukenʼ? Dit ww. behoort met nnd. schubben ‘wrijven, schurenʼ, nde. skubbe ‘wrijven, schuivenʼ, nzw. skubba ‘wrijvenʼ tot de idg. wt. *skeub(h), waarvoor zie: schuiven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schub znw., later-mnl. scubbe v. “schub, schel (voor de oogen)”. = mnd. schubbe v. “schub”. Ohd. scuoppa v. (nhd. schuppe), Teuth. schoebe, schuebe “schub” komen van de basis van schaven (voor de bet. vgl. schel I). Het is niet geraden schub hiervan te scheiden, al blijft dan ook het vocalisme onklaar. Heeft soms in sommige streken *sχö̂bbǝ, *sχüebbǝ vocaalverkorting ondergaan? Eventueel kunnen we aannemen, dat deze kortvocalische vorm zich buiten zijn oorspr. gebied heeft uitgebreid. Mnd. schove v. “schub” kan ô < germ. ô hebben en op *sχôƀô(n)- teruggaan. Wat is echter mnd. schope (ô?) v. “schub”? Een oorspr. hd. vorm? De combinatie van schub, dat dan van ohd. scuoppa gescheiden wordt, met schuiven is onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schub. Hetzelfde woord zal zijn dial. (holl.) schibbetje ‘dun schijfje’, minder wsch. bij schijf gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schub v., Mnl. scubbe + Ohd. scupa en scuoppa (Mhd. schuoppe, Nhd. schuppe): afleid. van schaven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skub s.nw. Ook skob.
Enigeen van 'n klomp klein, dun, reëlmatige plaatjies waarmee die huid van reptiele, visse en die pote van voëls bedek is.
Uit Ndl. schub (Mnl. scubbe), 'n afleiding van die stam van schaven (al Mnl.) 'skaaf' onder die invloed van Mnl. schubben 'ontskub, krap, jeuk' en schobben 'krap, jeuk'. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorme skobbes en skowwes.
D. Schuppe (10de eeu), Eng. scab (1250) 'skurfte', gewestelike Ndl. schobbe 'skub, skilfer' en schab(be) (1599 in die vorm scabies) 'skurfte'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skub: – skob – , huidskilfer/doppe op reptiele, visse, ens.; Ndl. schub/schubbe (Lmnl. scubbe), dial. Ndl. schob(be) en suidelike dial. ook schab(b)e, hou verb. m. Ndl. schaven en Afr. skaaf/skawe, Hd. schuppe, Eng. scab en scabies, Lat. scabies, “skurfte” (ww. scabere, “krap”).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schub, afl. van schaven: wat dus afgeschaafd wordt, en verder: wat dun, schilferig is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schub* plaatje op bv. vissenhuid 1480 [Lezen in Geld. en Overijs. bronnen 65]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut