Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schroef - (staafje met schroefdraad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schroef zn. ‘staafje met schroefdraad’
Mogelijk al mnl. schruyve (zonder vertaling) [1477; Teuth.]; vnnl. schroef ‘schroef, klemwerktuig met schroef’ in De persse [is] ... van bouen vast gemaect met spien, sluetelen, vysen, oft scroeuen [1567; iWNT vijs I], vyskens oft scroefkens ‘schroefjes’ [1567; iWNT timpaan], tongh-schroefken ‘soort martelwerktuig om de tong in te klemmen’ [1588; Kil.], nam zyn voorste duym, en schroefse in een schroef [1615; iWNT]; nnl. schroef ‘voortstuwingswerktuig’ in Nu sedert weinige jaren de schroef als voortstuwer is uitgevonden, en alzoo de raderen op zijde van het schip vervallen kunnen [1859; iWNT].
Wrsch. ontleend aan Oudfrans escroue ‘schroefgat’ [1392; Rey], ouder escroe ‘id.’ [ca. 1270; FEW] (Nieuwfrans écrou ‘schroefmoer’), naast reeds middeleeuws Latijn scrofa ‘id.’ [9e eeuw; FEW]. Dit woord gaat in deze uitsluitend Gallo-Romaanse betekenis terug op klassiek Latijn scrōfa ‘zeug’ (vanwaar nog wel Italiaans scrofa en Roemeens scroafă ‘id.’).
Mnd. schruve ‘schroef’; mhd. schrūbe ‘schroef’ [1361; Pfeifer] (nhd. Schraube), vnhd. en nhd. gewest. Schraufe; vne. skrewe (ne. screw); nzw. skruv.
De Gallo-Romaanse betekenisovergang ‘zeug, wijfjesvarken’ > ‘schroefgat, -moer’ heeft een parallel in Spaans puerca ‘zeug; schroefmoer’ en in Nederlands → moer 1 < moerschroef < moederschroef. Daarnaast is al in de 4e eeuw een Latijnse betekenis scrofa ‘(varkens)vagina, gat’ geattesteerd (FEW), wat mogelijk een overgangsbetekenis is geweest. Verband met de schroefdraadvormige varkensstaart (Kluge21) is minder waarschijnlijk.
De betekenis ‘schroefgat’ is in het Nederlands onbekend, op één attestatie na: vnnl. een schroeve ‘een schroefgat’ [1573; Thes.]. De algemene betekenis in het Vroegnieuwnederlands is ‘klemwerktuig met schroefdraad’. Deze is tegenwoordig nog herkenbaar in de samenstellingen bankschroef en duimschroef. Daarnaast kent men sinds de 18e eeuw de onderscheidende samenstellingen moederschroef, moerschroef ‘schroefmoer’ en vaderschroef, vaarschroef ‘schroef’ (uit resp. moeder- en vaderschroef), maar al in de oudste, 16e-eeuwse attestaties komt ook het simplex schroef in de huidige, in het Frans onbekende betekenis ‘staafje met schroefdraad’ voor, wrsch. onder invloed van het werkwoord schroeven (zie onder). Deze betekenis was aanvankelijk vooral Noord-Nederlands. In het Zuid-Nederlands spreekt men van vijs, zie → vijzel 2. Duits Schraube en Engels screw gaan eveneens op het Frans en/of het middeleeuws Latijn terug, en hebben dezelfde betekenisverandering ondergaan als het Nederlandse woord schroef.
De schroef van een schip is zo genoemd vanwege de schroefsgewijs op de as geplaatste bladen.
schroeven ww. ‘(met) schroeven bevestigen’. Vnnl. in de afleiding verschroeven ‘van schroeven voorzien’ in 2 bussen verschroefft [1521; iWNT verschroeven], dan schroeven ‘met schroeven bevestigen of op elkaar drukken’ in becleet met eycke plancken, vier op malcanderen geschroeft [1592; iWNTvrij], schroeven ‘id.’ [1599; Kil.], Persen of andere instrumenten, daer men mede kan schroeven, drucken ofte stampen eenige metalen van Gout, Silver, Kooper, Yser, ofte andere [1611; iWNT pers IV], op konstrijck goud gheschroeft ‘op kunstig goud bevestigd’ [1614; iWNT]. Afleiding van schroef.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schroef [staafje met schroefdraad, klem] {schroeve 1588} < oudfrans escroue [moer] < latijn scroba, scrofa [zeug], vanwaaruit betekenisoverdracht heeft plaatsgehad, vgl. engels screw [schroef], to screw [neuken]; vgl. voor de betekenis moer2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schroef znw., eerst na Kiliaen, mnd. schrūve v. (> nde. skrue, nzw. skrūf, nzw. skrūf, nijsl. skrūfa), laat-mhd. schrūbe (nhd. schraube). Het oudste voorbeeld is van 1361; ook het voor­werp was zeker niet in de germ. tijd bekend. Daarom is afl. uit het romaans zeer waarschijnlijk: in Frankrijk in de 9de eeuw scrōfa, in de 14de eeuw escroue (>ne. screw). Eigenlijk is dit lat. scrōfa ‘zeugʼ, wegens de gelijkenis van de schroefdraad in de moer met de geringelde varkensstaart ; dit woord verbond zich echter met vulg. lat. *scroba ‘vulva, schroef moerʼ (< lat. scrobis ‘gat, vulvaʼ). Deze overgang van bet. ‘vulvaʼ > ‘schroefmoerʼ > ‘schroefʼ vertonen ook sicilisch scrufina en vgl. ook port. porca, spa. puerca ‘schroefmoerʼ < lat. porca ‘zeugʼ. — > russ. ščurúp ‘schroefʼ (R. v. d. Meulen Ts 29, 1910, 258-9) en met vereenvoudigde beginklank surúp ‘schroef van de sextantʼ (ibid. 30, 1911, 153).

De klinker van nnl. schroef wijst dus op ontlening uit een oostelijk dialect. — Dat het duitse woord van scrōfa en scrōba uitging, bewijzen de wisselvormen nhd. schraube naast zwab. schrauf, zwits. schrūf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schroef znw., sedert Kil., evenals ’t ww. schroeven. Met dial. oe < germ. û (vgl. poezel). = laat-mhd. schrûbe (nhd. schraube), mnd. schrûve v. (> de. skrue, zw. skruf, ijsl. skrûfa v.) “schroef” (Teuth. schruyve”? zonder vert.). Met ’t oog op ’t gebruik van bok, kraan, ram e.dgl. voor werktuigen en vooral op spa. puerca “schroefmoer” < lat. porca “zeug” ziet men in schroef gew. een ontl. uit lat. scrôfa “zeug”, en deze verklaring is veel aannemelijker dan de etymologie, die germ. oorsprong aanneemt en ’t woord met lit. skverbiù “ik boor met een spits voorwerp” verbindt. [Vgl. den ablaut ru: wer bij rok I e.dgl.; de lange û is echter een bezwaar: dan nog eer bij on. hrufla “krabben” en roffel I.] Eng. screw “schroef” uit ofr. escroue (fr. écrou “moer”), dat sommigen uit ’t Germ., anderen uit lat. scrôfa afleiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schroef. De bet. ‘schroef(moer)’ komt bij afl. van lat. scrôfa op rom. taalgebied voor in gebieden, waar aan germ. invloed niet kan worden gedacht (o.a. op Sicilië: skrufinu). Als dus schroef inderdaad geen ospr. germ. woord is, moet men wellicht betrekkelijk jonge ontl. uit het Rom. aannemen. Wellicht is dan het woord het eerst in het Opperdu. gekomen (mhd. schrûbe sedert 1361) en vandaar noordwaarts gegaan. Bij zulk een verloop zou de ndl. oe uit oostel. diall. te verklaren en niet als westelijk oe- relict (zie hierover bij kroes II) op te vatten zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schroef v., Mnl. scroeve, gelijk Mhd. schrûbe (Nhd. schraube), Eng. screw en On. scrúfa (Zw. skruf, De. skrue), uit Rom. : Ofra. escroue (thans écrou). uit Lat. scropha = zeug.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjrouf (zn.) schroef; Nuinederlands scroef <1567> < Frans escroue.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schruw (DB, B, O), schruwtje (P), schroe, schrute (O), zn.: klompspijkertje. Ofr. escroue, Fr. écrou < Lat. scrôfa ‘zeug’ > Wgerm. *scrûva, Mhd. schrûbe, Mnd. schrûve, D. Schraube, De. skrue, Ndl. schroef, E. screw. De betekenisverschuiving uit ‘zeug’ vanwege de gelijkenis van schroefdraad met de gekrulde varkensstaart. Vgl. Sp. puerca ‘schroefmoer’< Lat. porca ‘zeug’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schroef (de, schroeven), (ook:) gewricht. Die ander grijpt z’n klauw en draait z’n hand* kapot, helemaal uit de schroef (Cairo 1980b: 134). - Etym.: S skroefoe = schroef; gewricht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schroef ‘staafje met schroefdraad’ -> Deens skrue ‘staafje met schroefdraad, schroef van schip, propellor’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skrue, skruve ‘staafje met schroefdraad’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skruv ‘staafje met schroefdraad’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (s)kruuvi, ruuvi ‘staafje met schroefdraad’ ; Ests kruvi ‘staafje met schroefdraad’ (uit Nederlands of Nederduits); Gã skru ‘staafje met schroefdraad’ (uit Nederlands of Deens); Noord-Sotho sekurufi ‘staafje met schroefdraad’ ; Tswana sekurufu ‘staafje met schroefdraad’ ; Xhosa sikrufu ‘staafje met schroefdraad’ ; Zoeloe sikulufo ‘staafje met schroefdraad’ ; Zuid-Sotho sekurufu ‘staafje met schroefdraad’ ; Indonesisch sekrup ‘staafje met schroefdraad’; Ambons-Maleis skrup ‘staafje met schroefdraad’; Atjehnees sikrōb ‘staafje met schroefdraad, kurkentrekker’; Gimán skruf ‘staafje met schroefdraad’; Jakartaans-Maleis sekerup ‘staafje met schroefdraad’; Javaans sekrup ‘staafje met schroefdraad’; Kupang-Maleis skruf ‘staafje met schroefdraad’; Madoerees sēkkrūp, sēkkrop ‘staafje met schroefdraad’; Makassaars sikurû́ ‘staafje met schroefdraad’; Menadonees skruf ‘staafje met schroefdraad’; Minangkabaus sikurup, sikuruik ‘staafje met schroefdraad’; Muna sikoropu ‘staafje met schroefdraad’; Soendanees skhrup ‘staafje met schroefdraad’; Ternataans-Maleis skruf ‘staafje met schroefdraad’; Creools-Portugees (Ceylon) scrof ‘staafje met schroefdraad’; Singalees iskuruppu-va, skuruppu-va ‘staafje met schroefdraad’; Japans † sukorufu ‘staafje met schroefdraad’; Negerhollands śruf ‘staafje met schroefdraad’; Papiaments skruf (ouder: skroef, schroef) ‘staafje met schroefdraad’; Sranantongo skrufu ‘staafje met schroefdraad’; Aucaans soekoeoefoe ‘staafje met schroefdraad’; Saramakkaans sukúfu ‘staafje met schroefdraad’ ; Surinaams-Javaans sekrup ‘staafje met schroefdraad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schroef staafje met schroefdraad 1573 [Plantijn] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2034. Op (losse) schroeven staan (- zetten),

d.w.z. onzeker, onvast staan of maken, zoodat er niet op te bouwen is; hd. auf Schrauben stehen, setzen, unfest, so dasz jederzeitige lösung möglich istGrimm IX, 1651. In V- Janus, 252 komt de uitdr. voor in den zin van vast staan, als het ware vastgeschroefd.. Zie Pers, 567 b: Louis de Requesens, die der landen vryheeden socht op schroeven te stellen; 602 a; 710 b; Hooft, Ned. Hist. 984: 't Welk 't heele werk op schroeven stelde; 159: Dat deeze woorden op schroeven staande hoe schoonder van schyn, hoe ydeler of bedrieghelyker van gronde waren; Tuinman I, 236: ‘'t Staat op schroeven, dit zegt men van 't geene geen zekere vastigheid heeft’, dat van het hoofd, de hersenen, gezegd ook voorkomt bij Langendijk, Wederz. Huw.-Bedrog, vs. 1079Vgl. De Bo, 774: Ontdraaid zijn, niet wijs zijn; syn. van er is 'nen snaar (of een vijs) los; hd. ihm ist eine Schraube los; verschroben oder verdreht sein; oostfri. 'n schrufe lös hebben, die Folge davon ist, dasz es einem solchen im Kopfe rappelt (Dirksen I, 45); eng. he has (got) a screw loose somewhere; fr. il manque un clou à son casque. In het Friesch: hy is ut 'e skroeven, hij is in verrukking.. Mèt het bijv. naamw. los komt de uitdr. evenwel ook reeds in de 18de eeuw voor, zooals blijkt uit Sewel, 713: Zyn hoofd staat op losse schroeven ('t is een loskop), he is a weather cock, a wild goose, waarvoor thans nog in Limburg gezegd wordt de kop staat hem net als op een wervel (Welters, 80); Harreb. II, 262; Ndl. Wdb. VIII, 2953; De Telegraaf, 2 Dec. 1914 (ochtendbl.), p. 3 k. 4: De mobilisatie heeft dezen zomer veel op losse schroeven gezet; Nw. School VI, 206: Heel ons optreden bestond in een op losse schroeven zetten van vastgeroest-ingedraaide waarheden; Handelsblad, 6 April 1915 (avondbl.), p. 5 k. 4: Het is toch heel jammer, dat die ellendige oorlog op losse schroeven zet de pogingen om te komen tot een gezond internationalisme. Syn. was op rollen staanJanssen, Chr. Verm. 270: De dronckenscap verstomt de geest, en helptse als aen 't hollen, en maeckt 'et menschen breyn verbeest, en schroeveloos op rollen (Ndl. Wdb. XIII, 928)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal