Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schrik - (plotseling angstgevoel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schrikken ww. ‘ontstellen’
Mnl. sc(h)ricken ‘opspringen, tevoorschijn komen’ in Met groten scerden hi te hem scricte ‘met grote stappen kwam hij op hem afgesprongen’ [1340-50; MNW]; vnnl. schricken ook ‘uiteenspringen, wegspringen; beven, trillen’ [1588; Kil.] en ‘terugschrikken van angst, beven van angst; doen schrikken’ [1599; Kil.]; nnl. met sterke vervoeging in ze was fameus geschrokken ‘ze was erg geschrokken’ [1847; iWNT fameus], terneêrgeslagen, Schrok hij terug van 't hooploos wagen [1860; iWNT terugschrikken].
In het Middelnederlands is dit werkwoord nog zeldzaam; frequenter is de afleiding verschrikken ‘schrikken’, zie → verschrikkelijk. Vooral uit de Oudhoogduitse en Middelhoogduitse attestaties blijkt dat de oorspr. betekenis ‘opspringen’ is. Hieruit ontstond via ‘opspringen van angst, terugdeinzen’ de huidige betekenis. De ruimtelijke betekenis is nog herkenbaar in enkele vormingen met bijwoorden: opschrikken ‘opspringen door angst’, terugschrikken ‘terugdeinzen, zich terugtrekken door angst’, en zie → schrikkeljaar. Schrikken is oorspr. een zwak werkwoord. De huidige sterke vervoeging schrok/geschrokken dateert pas uit de 19e eeuw. Daarbij hoort schrikken tot de redelijk frequente werkwoorden die vrij laat geheel of gedeeltelijk sterk zijn geworden. Door de dubbele medeklinker kwam dit werkwoord (net als bijvoorbeeld → zenden) in klasse drie van de sterke werkwoorden terecht (die van → winnen en → bergen).
Mnd. schricken ‘springen, dansen; snelle bewegingen maken met handen of voeten’; ohd. scricken ‘opspringen, tevoorschijn komen’ (mhd. schricken ‘springen, barsten’); nfri. skrikke ‘schrikken’; < pgm. *skrik-jan-. Daarnaast staat ohd. skreckōn ‘opspringen, rennen’ (mhd. schrecken) < pgm. *skrek-ōn-. In nhd. schrecken ‘terugschrikken, terugdeinzen; doen opspringen’ zijn beide woorden samengevallen. Het bijbehorende zn. schreck ‘schrik’ is door het Zweeds ontleend als skräck ‘id.’. Van mogelijk dezelfde wortel, maar met een andere stamuitbreiding, stamt ozw. skräma ‘verschrikken’ (nzw. skrämma, nde. skræmme).
Verdere herkomst onduidelijk. Men kan pie. *skreg- reconstrueren, maar zekere verwante woorden in andere talen ontbreken: misschien Middeliers screoin ‘angst’. Verband met zich (weg)scheren ‘zich snel uit de voeten maken, vertrekken’ (Kluge, Pfeifer), waarvoor zie → scheren 2, is zeer hypothetisch.
schrik zn. ‘plotselinge angst’. Vnnl. schrick ‘trilling, beving; angst, schrik’ [1588; Kil.]. Afleiding van schrikken. ♦ schrikbarend bn. ‘angstaanjagend’. Nnl. Op eens nadert een schrikbarend gedruis [1810; iWNT]. Samenstelling van schrik en het teg.deelw. van → baren ‘veroorzaken’.
Lit.: C.B. van Haeringen (1940), ‘De taaie levenskracht van het sterke werkwoord’, in: NTg 34, 241-255

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schrik znw., sedert Kil. Evenals mhd. schrëcke m. (nhd. schreck) “schrik”, laat-mnd. schrëcke (m.?) “schrik” deverbatief: van schrikken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skrik s.nw.
1. Skielike of onverwagse skok, ontsteltenis of angsgevoel. 2. Persoon wat skrik (1skrik 1) versprei of inboesem.
Uit Ndl. schrik (1642 in bet. 1, 1808 - 1816 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die frase skrik maak.
D. Schreck (11de eeu). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1887 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skrik: s.nw. en ww., plotselinge bangheid, skok of vrees; plotseling bang word of vrees opdoen; Ndl. ondersk. schrik en schrikken (Mnl. sc(h)ricken, by Kil schrick en schricken), Hd. schreck(en), (er)schrecken, ouer bet. wsk. “vinnig beweeg, wegspring”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schrik ‘plotseling angstgevoel’ -> Zuid-Afrikaans-Engels skrik ‘angst, hevige emotie’ ; Negerhollands skrek, skrik ‘plotseling angstgevoel; verschrikt’; Sranantongo skreki (ouder: skrikki) ‘plotseling angstgevoel’.

schrik ‘(verouderd) eindje dat een lopend touw geschrikt of gevierd wordt’ -> Deens give skræk på (et tov) ‘(een touw) laten vieren’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1772. Een panische schrik,

d.w.z. een geweldige, groote schrik, zoo genoemd naar den Griekschen veld-, bosch- en herdersgod Pan. Volgens Baumeister, Denkmäler des klass. Altertums II, 1149 ‘ist die Sage vom panischen Schrecken hervorgegangen aus dem Grauen vor plötzlichen Tönen in der Waldeinsamkeit und aus dem mannigfachen und starken Widerhall in Thalgründen und zwischen Bergwänden’. Roscher denkt aan het verschijnsel, dat vele dieren, vooral schapen en geiten, 's nachts door het geringste onverwachte geluid hevig schrikken en dan als dol wegrennen en voorthollen.Lex. der Griech. und Röm. Myth. III1, 1389. In het Grieksch was de Φοβος πανικος reeds spreekwoordelijk; zie Büchmann, bl. 84. Vgl. het fr. panique, eig. terreur panique; ndl. paniek; eng. a panic (fear or fright).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut