Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schrijven - (letters neerzetten, een tekst vastleggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schrijven ww. ‘letters neerzetten, een tekst vastleggen’
Onl. skrīvan ‘lettertekens neerzetten’ in mit rehtlicon ne uuerthon gescriuona ‘(laten zij) met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven’ [10e eeuw; W.Ps.], ‘een tekst vastleggen, schriftelijk mededelen’ in also uns paulus hauet fure gescrîuen [1151-1200; Reimbibel]; mnl. sc(h)riven ‘id.’ in me sal di rede sch[r]iuen ‘men zal die woorden opschrijven’ [1200; VMNW], daden wi desen brief scriuen ‘lieten wij deze akte schrijven’ [1236; VMNW].
Vroege ontlening aan Latijn scrībere ‘schrijven’.
Evenzo ontleend zijn os. skrīƀan (mnd. schriven); ohd. scrīban (nhd. schreiben); on. skrifa (nzw. skriva); alle ‘graveren, schrijven’; daarnaast met afgeleide betekenissen: ofri. skriva ‘een straf opleggen’ (nfri. skriuwe ‘schrijven’); oe. scrīfan ‘een straf opleggen, toewijzen; biechten’ (ne. shrive), alle < pgm. *skrīban-, dus reeds door het Proto-Germaans ontleend aan het Latijn. Behalve in het Oudnoords sloot deze ontlening zich aan bij de sterke werkwoorden van de eerste klasse.
Latijn scrībere is verwant met Grieks skarīphãsthai ‘krassen, schetsen’, skárīphos ‘schets; leistift’; < pie. *skreibh- ‘(in)krassen, schrijven’ (IEW 946). Met andere occlusief horen hierbij misschien ook Lets skrĩpât ‘(in)krassen, schrijven’ en met wegval van de s- pgm. *hrīfan- ‘krassen, scheuren’ (on. hrífa, oe. hrifnian, ofri. rivia, mnl. riven, nnl. rijven ‘harken’).
Het woord werd ontleend met de Romeinse wijze van schrijven. Deze verschilde van de oude Germaanse techniek van het inkrassen van runen, Proto-Germaans *wrītan- (waaruit o.a. Engels write ‘schrijven’, Nederlands rijten ‘scheuren’, waarbij ook reet ‘spleet’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schrijven [lettertekens neerzetten] {schriven 1236} oudsaksisch skriƀan, oudhoogduits scriban (oudfries skriva [straf voor een verwonding]), oudengels scrifan (engels to shrive [een straf opleggen]) < latijn scribere [idem]. De uitdrukking schrijven en wrijven [slecht vlottende schriftelijke onderhandelingen] betekende vroeger ‘druk over en weer schrijven’, vgl. middelnederlands schriven ende wriven, waarbij wrijven sloeg op het schuiven van de arm over de tafel, waartoe men losse schrijfmouwen droeg tegen de slijtage. De uitdrukking wie schrijft die blijft betekent: wie goed boekhoudt gaat niet teloor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schrijven ww. mnl. scrȋven ‘schrijven, tekenen, borduren, schilderenʼ, onfrank. scrīvan, os. skrīƀan, ohd. scrīban, (nhd. schreiben), ofri. skrīva ‘schrijvenʼ. — De bet. ‘schrijvenʼ duidt op een ontlening < lat. scrībere. Met een andere bet. ontwikkeling geschiedt de overname in het oe. scrīfan (ne. shrive) ‘iemand een straf of boetedoening opleggen, toewijzen, toekennenʼ (vgl. ook os. biskrīban en ofri. skrīva ‘straf voor een verwonding vaststellenʼ, die wel van het oe. zullen zijn uitgegaan).

Lat. scribere werd ook in het oiers als scribaim overgenomen. Het lat. woord hangt samen met gr. skaripháomai, skaripheúō ‘krabben, inritsenʼ van een idg. basis *skerībh, waarnaast *(s)kerīp in rijven. — Het is daarom niet onmogelijk, dat het germ. reeds een *skrīƀan ‘ritsenʼ bezat en dat alleen de bet. ‘schrijvenʼ aan het lat. ontleend werd; zo denkt ook W. de Vries Ts 40, 1921, 94; daarbij wijst hij op woorden als westvla. schribbelen, schrijbelen ‘krabbenʼ, ohd. skrevon ‘inkrassenʼ. — voor het runen ritsen werd het ww. rijten gebruikt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schrijven ww., mnl. scrîven (ook “teekenen, schilderen, borduren” e.dgl.). = onfr. scrîvan, ohd. scrîban (nhd. schreiben), os. skrîƀan, ofri. skrîva “schrijven”. Evenals ier. scrîbaim “ik schrijf” ontleend uit lat. scrîbere “schrijven”, in den tijd toen de Germanen de Romeinsche wijze van schrijven overnamen, die allengs het oudere inkrassen van runen verdrong; ’t Eng. behield een ouden naam voor den nieuwen trant: zie rijten. ’t Ags. kent wel scrîfan (eng. to shrive), maar met de bet. “iemand een zekeren straf opleggen, na de biecht penitentie opleggen, toewijzen, toekennen”, ook “zich bekommeren om” evenals os. bi-skrîƀan. Wij mogen niet denken aan ontl. in ’t Ags. onafhankelijk van ’t Continentaalwestgerm. Integendeel wijst de reeds meegedeelde bet.-overeenstemming tusschen ’t Os. en Ags. benevens die tusschen het Ags. en Ofri. (ofri. skrîva “de straf voor een verwonding vaststellen) op gemeenschappelijke ontl. In ’t Anglo-friesch ontwikkelde zich een speciale juridische bet., die later in ’t Ags. een dgl. kerkelijke deed opkomen, terwijl het woord de technische bet. “schrijven” verloor, — tenzij wij aannemen, dat deze in ’t Continentaalwgerm. jonger is en dat scrîbere ’t eerst in de bet. “iets van een zekeren inhoud schrijven” en niet “den arbeid van schrijven verrichten” is ontleend. Zie nog schrift. Lat. scrîbo (idg. *sqreibhô) zou formeel ook oerverwant met schrijven kunnen zijn, maar dat is niet aannemelijk wegens de speciale bet. “schrijven” èn in ’t Germ. èn in ’t Lat. Met scrîbo is wel gr. skárīphos “gekrabbel, schets” verwant; hoogerop behooren hierbij de bases (s)qrī̆-p- (lett. skrĭpât “inkrassen”, zie verder bij rijven) en (s)qrĭ-d- (zie rijten). Voor ’t onverlengde (s)qrĭ- zie bij schrijnen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schrijven. On. skrifa (zwak, in tegenst. met de overige hier genoemde ww.) ‘afbeelden, beschilderen, opschrijven’ is wsch. via het Continentaalgerm. ontleend.
Ook na het betoog van E.Schröder ZsfdA. 61, 59 vlg. voor zelfstandige ontlening in het Ags., en dat van W.de Vries Tschr. 40, 94 voor oerverwantschap tusschen het lat. en germ. woord (dit laatste in bet. door lat. scrîbere beïnvloed evenals lezen door legere) blijft het verloop, zoals het art. dat geeft, het waarschijnlijkst, al zijn er moeilijkheden die tot de genoemde afwijkende beschouwingen kunnen aanleiding geven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schrijven o.w., Mnl. scriven, Onfra. scrîvan, Os. skrîƀan, gelijk Ohd. scrîban (Mhd. schrîben, Nhd. schreiben), Ofri. skríva en On. skrífa (Zw. skrifva, De. skrive) = schrijven, ontleend uit: Lat. scribere (Fr. écrire). Uit het begrip præscribere = voorschrijven, ontwikkelde zich een bijzondere bet. in Os. biscrîƀan = zich bekommeren, Ags. scrífan = straffen, biechten (Eng. to shrive), Ofri. skríva, On. skripta = biechten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjrieve (ww.) schrijven; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) schrieven, Aajdnederlands skrivan <901-1000> < Latien scribere.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skryf: – skrywe – , m. skerp voorwerp letters, syfers, tekens op ’n blad aanbring; Ndl. schrijven (Mnl. scriven), Hd. schreiben, uit Lat. scribere (v. skreef en skriba), vgl. i.v.m. bet. Eng. write, Hd. reissen, Ndl. rijten, “met ’n skerp voorwerp krasse maak” = “skryf/skrywe”; v. ook skreef.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schrijven (Latijn scribere)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven, dat wat ik heb geschreven zal ik niet meer veranderen; ik blijf bij wat ik beweerd heb.

Deze woorden zijn opgetekend uit de mond van Pilatus bij de kruisiging van Jezus. Pilatus liet namelijk een opschrift aan Jezus' kruis hangen met de woorden 'Jezus uit Nazaret, koning van de Joden', een tekst waar het joodse volk niet gelukkig mee was. De joodse overpriesters vroegen Pilatus om een preciezere formulering; zij wilden dat 'de Koning van de Joden' veranderd zou worden in 'Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden'. Maar Pilatus reageerde met de woorden: 'Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven' (Johannes 19:22, NBV). Zie ook I.N.R.I.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 266, 7-8. Ende Pylatus antwerdde hen weder aldus: Dat ic gescreuen hebbe, dat hebbic gescreuen.
Tijdens zijn proces zei hij [G.K. van het Reve] niet: 'Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven', maar met eindeloos gezwets en onderdanig gekronkel probeert hij zich eruit te werken. (Vrij Nederland, 13-5-1972)
'Ze gaan vast naar de politie, baas,' zei deze [Hiep Hieper] bedrukt. 'Dit is link werk en ik sappel me te pletter. Het drukken van al die verschillende blaadjes is pokkewerk, al hebben we dan ook een tiep-zetter.' De wijze [de 'baas', Bul Super] trok een sigaar uit zijn pij, en ontdeed zich van zijn haargroei. 'Laat de politie maar komen,' sprak hij koeltjes. 'De abonnees hebben getekend, en wat geschreven staat, staat geschreven. Nee, dit is een superzaak, jongen.' (M. Toonder, Ik voel dat heel fijn aan, 1988 (1975/1981/82), p. 78)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schrijven (Mnl. scriven) van ’t Lat. scribere = schrijven, overgenomen met het Lat. letterschrift. – ’t Germ. rijten (n.1. het inrijten, inkrassen van de runen, z. d. w.) bleef nog in ’t Eng. bewaard als to write, vgl. typewriter = letterschrijver, schrijfmachine. Afl. is schrift, schreef.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schrijven ‘lettertekens neerzetten’ -> Deens skrive ‘lettertekens neerzetten’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands skriev, skrif ‘lettertekens neerzetten’; Sranantongo skrifi ‘lettertekens neerzetten’; Aucaans sikiifi ‘lettertekens neerzetten’; Saramakkaans sikíffi, sikifi ‘lettertekens neerzetten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schrijven lettertekens neerzetten 1100 [Willeram] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1279. Met dubbel krijt schrijven,

d.w.z. de rekening tweemaal zoo groot maken, als ze is; vier voor twee schrijven (16de eeuw; Tijdschr. XXI, 87); vooral van een herbergier gezegd, die twee voor een schrijft (Roode Roos, 177; Moortje, 2751). In de 17de eeuw komt de uitdrukking voor bij Godewyck, Wittebroodskinderen (anno 1641), bl. 60: De waert schryft met dubbel krijt veel schreven aen de want; Gew. Weeuw. III, 6. Zie verder Tuinman I, 67; Harrebomée I, 451; Ndl. Wdb. VIII, 257; Nkr. I, 13 April p. 6: Er is zelfs een geschiedschrijver die u (Floris V) negen-en-dertig wonden toeschrijft, doch die heeft blijkbaar met dubbel krijt geschreven; Het Volk, 15 Nov. 1913 p. 5 k. 1; 14 April, 1914 p. 13 k. 2: Indien dus alles wordt meegeteld, en dan bovendien met dubbel krijt wordt geschreven, kunnen de getallen van ‘De Tribune’ juist zijn; 15 Mei 1914 p. 1 k. 3: Kasteleins en kleine neringdoenden, die veel ‘poffen’, worden veelal verdacht, dat ze dubbel boekhouden, doch niet ‘dubbel of Italiaansch’, maar ‘met dubbel krijt’. Volgens Joos, 71; Antw. Idiot. 716; Teirl. 329 en Waasch Idiot. 177 is de uitdr. ook in Zuid-Nederland bekend, waar men eveneens zegt met herbergierskrijt schrijven, dat gelijk staat met ons 17de-18de eeuwsche met hoerenkrijt rekenen (zie V. Paffenrode, 103; Sewel en Halma); in Limb.: hij schrijft dubbel (of met herbergierskrijt). In het Haspengouwsch en Hagelandsch gebruikt men hiervoor met vet krijt schrijven (Rutten, 258; Tuerlinckx, 691). Ook in het Friesch: hy skriuwt mei dûbeld kryt of kastlynskryt, dat twee streepjes te gelijk maakt (zie W. Dijkstra II, 333 b; I, 404); in het hd. mit doppelter Kreide anschreiben; voor het nd. zie Eckart, 291.

1380. Kunnen lezen en schrijven,

van personen, doch meestal van zaken, uitnemend zijn, tegen alles bestand zijn, er alles mede kunnen doen. In de 18de eeuw komt de zegswijze voor bij Tuinman I, 340: Het kan lezen en schrijven. Dit zegt men van iets, om het te prijzen. 't Was in de oude tijden iets zeldzaams, dat men onder 't gemeene volk ymand vond, die lezen en schrijven konde; Harreb. III, 43; Molema, 242: Lezen en schrieven kennen, bekwaam zijn, geschikt zijn tot iets, b.v. van dieren, die loos zijn, ook van levenlooze dingen; Boekenoogen, 376: Dat jassie ken lezen en schrijven gezegd van een jas, die men lang heeft gedragen bij zijn (kantoor)werk: die jas kan meepraten, heeft heel wat beleefd; Waasch Idiot. 396: Met dien knecht kan ik lezen en schrijven, alle werk verrichten; fri. dy man dêr kin men mei lêze en skriuwe, hij is bruikbaar in vele dingen, inschikkelijk en hulpvaardig; myn nije spinwiele.... dêr kin 'k mei lêze en skriuwe, is gemakkelijk in 't gebruik (Fri. Wdb. II, 117); Prikk. II, 55: Mijn hoed die mag je raken, hoor, die kan lezen en schrijven.

1705. Iets in (of achter) 't oor (of de ooren) knoopen,

d.w.z. zich iets in 't geheugen prenten, iets trachten te onthouden. Vgl. Harreb. II, 149: Iets in het oor knoopen. De zegswijze komt eerst in de 19de eeuw voor. Zie bewijsplaatsen in het Ndl. Wdb. XI, 41; in het fri. ik scil 't him wol goed yn 't ear knoopje, ik zal hem wel goed onderrichten hoe hij te spreken en te handelen heeft. Vgl. hd. sich etwas hinter die Ohren (hinters Ohr) schreiben (stecken), sich etwas gut merken, besonders eine Beleidigung um sie zur geeigneten Zeit zu vergelten; ook bij Harreb. II, 148: Hij heeft het achter zijn ooren geschreven. Achter(Aanv.) Dit voorzetsel is te verklaren door contaminatie met: zich iets achter het oor schrijven.)

2031. Schrijven en wrijven,

ook geschrijf en gewrijf, d.w.z. groote bedrijvigheid met de pen, schrijven en nog eens schrijven; laat-mnl. scriven ende wriven (Froissart I, 461). Onder het ‘wriven’ verstond men het drukke heen en weer schuiven met den arm over de schrijftafel, waarbij men oudtijds, om het slijten der mouwen te voorkomen, zoogenaamde wrijfmouwen aantrok (vgl. Brederoo, Moortje, vs. 499Steets was hy op 't Kantoor en met de nues int boeck; // Syn mutsjen op zyn hooft, zyn mouwen an voort wrijven, // Want hy was besich staach met dit of dat te schrijven.. Thans wordt aan deze beteekenis van ‘wrijven’ niet meer gedacht, maar wel aan de wrijving van gedachten, waarbij veel brieven worden gewisseldNdl. Wdb. IV, 1744; 2146.. Vgl. Nav. XLI, 188: Gij meucht schrijven en wrijven, ick hebber niets mede te doen (anno 1670); Coster, 203, vs. 1581; C. Wildsch. III, 72: Wat is er al een water vuil gemaakt! wat is er al over geschreven en gewreven!; Harreb. I, 231: Daarover is al vrij wat geschrijf en gewrijf geweest; fri. skriuwe en wriuwe, allerlei schrijfwerk verrichten; Antw. Idiot. 1094: schrijven en wrijven, veel schrijven; Waasch Idiot. 586.

2032. Wat men schrijft dat blijft,

ook wel die schrijft die blijft, d.i. hij die goed boekhoudt, uit zijne boeken onmiddellijk een overzicht over zijne zaken heeft, dus kan zien, wat winst en verlies oplevert, gaat niet ten onder (Peet, 52); hd. was man schreibet, das bleibet, durch Urkunden und Briefschaften kann der Beweis einer Sache am leuchtesten geführt werden; nd. de der schrift, de der blift; schrift klivt (Eckart, 470-471; Wander IV, 335); wer nig schrivt, de nig blivt, wer ein behaltener Mann bleiben will, muss über Ausgabe und Einnahme ordentlich Buch halten (Wander IV, 336). In mlat. scripta manent of littera scripta manet. Zie ook Jan Matthijssen, R.v.d. Briel, bl. 82.

2664. Iets aan de zoolen van zijn schoenen kunnen schrijven,

d.w.z. op iets niet behoeven te rekenen, vooral van schuldvorderingen gezegd. Vgl. Het Volk 18 Aug. 1915 p. 3 k. 2: Hij moet zich maar eenige offers getroosten, zijn verlofdagen moet hij maar aan de zolen van zijn schoenen schrijven; van betaling voor extra arbeid schijnt geen sprake te zullen zijn; fri. dat kinst mar onder 'e soal fen 'e skoech skriuwe, daar komt niets van te recht; syn. van iets op zijn buik kunnen schrijven. Zie Harreb. I, 103: Schrijf het op uw buik, dan kunt ge het met uw hemd uitwisschen; Schakels, 117: En de centen die je te wachten heb, ken je op je buik schrijven; L. Bakelmans, Zonnekloppers, bl. 36: We betalen potverdekke niks. Schrijf die pintjes maar op uwen buik.... die is dik genoeg. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1620: dat kunde op uwen buik schrijven en met uw hemdslip uîtvègen. Zie no. 151; 1312 en vgl. het vroegere, thans nog Zuidndl. iets in zijn doodboek schrijvenH. de Luyere, 27: Ghy meught die schuit in u dootboeck (vergeetboek) wel schrijven. Zie Ndl. Wdb. III, 2861.; afrik. dat kunt ge wel op uw pens schrijven; het lat. in aqua scribere; gri. καθυδατος γ ραφειν; hd. etwas in den Schornstein oder Rauchfang schreiben.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal