Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schreeuwlelijk - (persoon de ongewenst luid roept)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Lelijk
Schelden doet geen pijn, zo wil het gezegde, maar etymologisch gezien is dit een lelijke misvatting. Scheldwoorden duidde men in de dertiende eeuw aan met lelijcke woorden, en zwaar vloeken met lelijcke eeden sweren. In een Hollands oorkondeboek werd de boete vermeld die stond op het gebruik van “lelijcke woorden”, in ieder geval door vrouwen: “So waer twee vrouwen kyven ende lelijcke hoerachteghe woorden geven, die verbeuren elc 10 sc [= schellingen].” De oorspronkelijke vorm van dit lelijck was leedlijc of leetlijc, waarvan het eerste deel leed is. Lelijck betekende dan ook: ‘wat leed veroorzaakt’.

Leed
De betekenis van leedlijc ontwikkelde zich vervolgens tot ‘onaangenaam om te zien of te horen’. En de d-klank werd aangepast aan de erop volgende l: leellijc, lelijk. Hetzelfde vinden we in kwalijk, dat teruggaat op kwaadlijk.
Lelijk stond gelijk aan ‘afzichtelijk, afschuwelijk, mismaakt, wanstaltig’, bijvoorbeeld in “Dat aensicht [gezicht], dat zeer lelic ende mismaket was.” Zo kwam lelijk te staan tegenover mooi, en ontstond een spreekwoord als ‘Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.’ Al snel werd lelijk overdrachtelijk gebruikt: een lelijke kerel of een lelijke leugenaar kan er mooi uitzien, maar tegelijkertijd een karakter hebben dat van geen kanten deugt – Bredero had het over “leelijcke trecken”.
Verregaande lelijkheid leverde de inspiratie voor een groot aantal creatieve vergelijkingen; mensen kunnen ‘zo lelijk als de nacht’ zijn, ‘zo lelijk als een beer’, ‘te lelijk om voor de duivel te dansen’ of ‘zo lelijk (of mager of bleek) als de dood van Ieperen’. De vergelijking met de nacht zal gebaseerd zijn op het feit dat ’s nachts alles donker en grauw is. In zo lelijk als de dood van Ieperen wordt verwezen naar de West-Vlaamse stad Ieper. Waarom? Misschien was daar in de Middeleeuwen een schilderij of wandschildering van een dodendans te zien – dat kwam vaker voor in die tijd. Maar het is ook mogelijk dat de plaatsnaam gekozen is op basis van de klank. Denk daarbij aan dialectwoorden als iep, hiep, ieperig en iepies, die ‘zwaarmoedig, kleinzerig’ betekenen en verkortingen zijn van hypochonder: ‘Wat ben je (h)iep vandaag.’

Erg
In zinnen als ‘Hij is lelijk gevallen’ en ‘Hij heeft zich lelijk bezeerd’ betekende lelijk aanvankelijk ‘pijnlijk’, maar in dergelijke uitlatingen werd lelijk al snel synoniem met erg – zie ook ‘Hij heeft het lelijk te pakken’ en ‘Hij heeft zich lelijk vergist.’
Lelijk is een woord dat een waardeoordeel inhoudt, en zulke woorden krijgen gemakkelijk een versterkend eerste deel, want er zijn altijd mensen of zaken die bijvoorbeeld nóg lelijker dan lelijk zijn. En zo ontstonden samenstellingen als foeilelijk, oerlelijk, inlelijk en spuuglelijk.
Een bijzondere vorming is het woord schreeuwlelijk, een persoonsaanduiding die aan het eind van de zeventiende eeuw voor het eerst voorkwam. De samenstelling is vergelijkbaar met zeldzame vormingen als spring-in’t-veld of sta-in-de-weg; ook daarin wordt een werkwoord gevolgd door een nadere bepaling. Met schreeuwlelijk duidde men vroeger met name huilbaby’s en luidruchtige dieren aan, vooral vogels. Tegenwoordig beschouwen sommigen het als een geuzennaam, zoals blijkt uit de boektitel Ik schreeuwlelijk van Youp van ’t Hek.
Een eeuw na de vorming van het zelfstandig naamwoord ging men schreeuwlelijk gebruiken als bijvoeglijk naamwoord. Eerst in de letterlijke betekenis (“dat schreeuwleelijke vee”), maar al snel kwam het vooral voor in de overdrachtelijke zin ‘ontzettend lelijk’. En inmiddels is schreeuwlelijk als kwalificatie van nieuwe uniformen, verkiezingsreclameborden, gebouwen en wat dies meer zij zó ingeburgerd dat er alweer op gevarieerd wordt. In het verhaal ‘Nice guys don’t get laid’ van Ronald Giphart wordt een meisje gecomplimenteerd met het woord schreeuwmooi.
[Beelen, Hans en Nicoline van der Sijs (2019), ‘Lelijk’, in: Onze Taal 1, 24.]

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schreeuwleelijk znw., nog niet bij Kil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skreeulelik b.nw. Ook skreelelik.
Baie lelik.
Uit Ndl. schreeuwlelijk (vóór 1871).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schreeuwlelijk: iemand die een grote mond opzet, vreselijk schreeuwt.

Mijn vrouw heeft (nog liever) dat de schreeuwlelijken hier comedietjens speelen, dan dat zij Kees elders mêesleepen, misschien wel in eene dier liefhebberijcomediën, … (E. Bekker, wed. Wolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding. 6 dln, 1793-1796)
Schreeuwleelijk, sta op! (het Centrum, 02/06/1928)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut