Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schreeuw

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schreeuwen ww. ‘luid roepen’
Mnl. Daer hoerde ic wat in screuwen ‘daarin (in een hol) hoorde ik iets schreeuwen’ [1479; MNW-R].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *skraiwōn. Wrsch. is dit hetzelfde woord als *skraiōn- ‘schreeuwen’, zie → schreien, maar dan met epenthetische overgangsklank tussen klinkers.
Nnd. schrewen ‘schreeuwen’.
Naast schreeuwen staat het synoniem vnnl. schremen, zoals in Dat hy met luder keele schreemde van grooter verdwelmtheit ‘dat hij luidkeels schreeuwde van ontzetting’ [1562-92; MNW], naast een ouder zn. in Dan gaf de meeste enen screem groot ‘toen gaf de grootste (kraai) een harde kreet’ [1350-1400; MNW schreem], nu nog West- en Oost-Vlaams schremen ‘hoorbaar huilen’, schreem ‘kreet’, zie verder bij → schreien. Het woordenpaar schreeuwen/schremen is vergelijkbaar met dat van mnl. fleeuwen naast → flemen, eveneens met wisseling van de labiaal.
schreeuw zn. ‘gil’. Vnnl. schreeuw [1573; Thes.]. Afleiding van schreeuwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schreeuw znw., sedert Kil. Van schreeuwen ww., mnl. (laat en zeldzaam) scrêuwen. = ndd. schrêwen “schreeuwen, schreeuwend spreken”. Uit *skrai-wôn of *skri-wôn (vgl. geeuwen), van de basis skri-, waarvan ook het sterke ww. mnl. scrîen “schreeuwen, schreien”, ohd. scrîan (nhd. schreien), os. skrîan, ofri. skrîa “schreeuwen” (noorw. dial. skrîa “juichen” flecteert zwak) en het znw. mnl. screi m., ohd. screi (nhd. schrei) m., mnd. schrei m. o. “schreeuw” — waarbij ’t zwakke ww. mnl. screyen “schreeuwen, schreien” (nnl. schreien), ohd. screiôn, mnd. schreien, owfri. scraya “schreeuwen”, noorw. dial. skreia “juichen” — en met m-formans mnl. screem m. “schreeuw”, vla. (sedert de 16. eeuw) schreemen, fri. skrieme, eng. to scream “schreeuwen”. Deze onomatop. basis germ. skri-, naast χri- (waarvan on. hrîna “schreeuwen”, hreimr “geschreeuw, geraas”), was reeds idg.; men leidt er gew. lat. crîmen “aanklacht” van af (onzeker), bovendien eenige verlengde bases: qriq- (zie reiger) en (s)qrig-, waarvan in ’t Germ.: os. skrī̆kon, noorw. skrîka “schreeuwen”, mnd. schricht v., schrichte o., ofri. dat. skrichta “geschreeuw”, on. hrika “kraken”. Voor een synonieme anlautvariant van deze basis zie bij krijten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut