Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schrander - (slim)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schrander bn. ‘slim’
Vnnl. schrand ‘zuur, bitter; scherpzinnig, slim’ [1573; Thes.], schrander ‘bitter, wrang (overdrachtelijk)’ in De schrandre schamperheit van 't lasteren [1610; iWNT], ‘scherpzinnig, slim’ in De schrandere' Eumenes, de kloecke Ptolomeêus [1613; iWNT slagveer I], schrandere Chinesen [1615; iWNT moor I].
Het woord is slechts in het Nederlands en het Fries geattesteerd. De korte vorm schrand komt alleen in de woordenboeken voor en is mogelijk een bedachte grondvorm voor schrander (WNT). De oorspr. betekenis is wrsch. ‘scherp, bijtend’, zoals nog in enkele Oost-Nederlandse dialecten. Mogelijk is het woord afgeleid van het sterke werkwoord schrinden ‘splijten, klieven’ [1599; Kil.], met hetzelfde achtervoegsel als in → bitter. De huidige betekenis is dan overdrachtelijk ontstaan, zoals bijv. ook bij scherp (van geest) en → geslepen ‘schrander’. De relatief late attestatie van schrander maakt afleiding met dit oude achtervoegsel echter onwaarschijnlijk.
Nfri. skrander ‘schrander; vroeg op, matineus’. Bij vnnl. schrinden < pgm. *skrindan- ‘barsten, splijten’ horen: mnl. verscrinden ‘splijten van droogte’; mnd. schrinden ‘openbarsten’; ohd. scrintan ‘id.’ (mhd. schrinden). Verdere herkomst onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schrander* [slim] {1610 in de betekenis ‘scherp, bijtend’; de betekenis ‘slim’ 1621, vgl. schrand [zuur, bitter, schrander] 1599} ablautend naast middelnederlands schrinden [opensplijten], oudhoogduits scrintan [barsten]; van dezelfde i.-e. stam met de betekenis ‘snijden’ als scheren1; de grondbetekenis van schrander is ‘scherp’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schrander

In het Middelnederlands kwam een werkwoord voor dat schrinden luidde en: splijten, barsten betekende. De samenstelling verschrinden werd gebezigd voor: splijten, openscheuren van de grond door droogte. Van dit werkwoord nu is ons woord schrander een nakomeling. De betekenis was, in overeenstemming met de afkomst van het woord, oorspronkelijk: snijdend, scherp. Het Gronings kent de uitdrukking: schrander in de hals in de zin van: een scherp gevoel in de keel hebbend, hees. Het lijkt of er een grote afstand bestaat tussen de betekenissen: snijdend en slim, maar wanneer wij denken aan een woord als: snedig, dat natuurlijk samenhangt met: snijden, maar betekent: gevat, handig, wordt de betekenisovergang al duidelijker. Een echt modern woord dat ook ter vergelijking kan worden aangehaald, is: spits. Het betekent: puntig, maar men bezigt het in een uitdrukking als: een spitse vent, ook in de zin van: toegerust met een ‘scherp’ verstand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schrander bnw., sedert de 17de eeuw met bet. ‘scherp, bitter; bits’, waarnaast Kiliaen schrand (Sax. Sicamb. Fris) ‘zuur, bitter; schrander’, westf. schrannig ‘onaangenaam, hard tegen ondergeschikten’. Het woord betekent eig. ‘scherp, snijdend’, vgl. nnl. dial. drents schrander ‘scherp, wrang, bijtend, schraal’, gron. schrander in de hals ‘met scherp gevoel in de hals’, hindel. ‘ijverig’, nwfri. skrander ‘vroeg aan het werk, schrander’, vgl. opskranderje ‘zich flink te weer stellen’ (W. de Vries Ts 40, 1921, 94), oostfri. schran ‘scherp, bijtend, stekend’. — Verder abl. mnl. verscrinden ‘splijten van droogte’, tescrinden, Kiliaen schrinden, mnd. schrinden, ohd. scrintan ‘openbarsten’, nnoorw. skrinda ‘kerf’, skrinn (< *skrinþa) ‘dor, mager, onvruchtbaar’ en Kiliaen schronde (Ger. Sax. Sicamb. Fland.), ohd. scrunta (nhd. schrunde) v. ‘spleet’. — Idg. basis *(s)krent, vgl. oi. kṛntati ‘snijdt’, afl. van *(s)ker ‘snijden’, waarvoor zie: scheren. — Zie verder ook: schransen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schrander bnw., sedert de 17. eeuw; dan komt ’t ook = “scherp, bitter” en overdr. = “bits” voor. Ook Kil. schrand (“Sax. Sicamb. Fris.”) vereenigt de bett. “zuur, bitter” en “schrander”; voor ’t suffix -er vgl. schamper. De grondbet. van deze woorden en van westf. schrannig “onaangenaam, hardvochtig tegen zijn ondergeschikten” is “snijdend, bijtend, scherp”; voor de bet. “schrander” vgl. lat. scîtus “schrander, verstandig”, scio “ik weet” van de bij scheen besproken basis, benevens ndl. scherpzinnig, een scherpe geest e.dgl. Met oudere bet. nog oostfri. schran “scherp, bijtend, stekend’’, dr. schrander “scherp, wrang, bijtend, schraal”, gron. schrander in de hals “een scherp gevoel in den hals hebbend”. Met ablaut mnl. ver-scrinden “splijten van droogte”, te-scrinden, Kil. schrinden “openbarsten”, ohd. scrintan, mnd. schrinden “id.”, noorw. skrinn “dor, mager, onvruchtbaar” (nn < nþ), Kil. schronde (“Ger. Sax. Sicamb. Fland.”), ohd. scrunta (nhd. schrunde) v. “spleet”. Met nasaleering (oorspr. wellicht alleen in den praesensstam van het ww.) van idg. (s)qeret-, waarvan oi. kṛntáti “hij snijdt” enz. (zie bij scheren). Of lit. skrentù (praet. skretaũ) “ik word met een korst bedekt” hier terecht bij gebracht wordt, is wegens de bet. onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schrander bijv., Kil. schrand = 1. scherp van smaak, 2. slim: van denz. stam als ʼt enk. imp. van *schrinden: z. schransen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skrander b.nw.
Slim (slim 1), skerpsinnig.
Uit Ndl. schrander (1610 in die bet. 'skerp, bytend', 1621 in die bet. 'slim, skerpsinnig'), 'n afleiding met -er van schrand 'suuragtig, wrang, skrander', met lg. van die stam van Mnl. schrinden 'splits, skeur'. Die bet. 'skerp, bytend' nog gewestelik in Drente. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schrander, bet. oorspr. scherp, snijdend, van ’t Germ. skrindan = splijten, kerven (Mnl. schrinden), vandaar is schrander: wat gemakkelijk kerven maakt, wat dus scherp, snijdend is. Later fig. ook: een schrander verstand = een scherp verstand; ten slotte bleef alleen de fig. bet. over. (De Germ. wt. skrend, Idg. skerdh = barsten, scheuren, vgl. ons schaard).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schrander* slim 1621 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut