Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schraal - (mager)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schraal bn. ‘mager’
Vnnl. schrael ‘armoedig, niet overvloedig, niet vet’, schrael-ruydigh ‘ruw’ [1599; Kil.], in mijn schrale schorre keel [1610-19; WNT], Den schralen Man [1614; iWNT], Een schrael middachsmael [1639; iWNT], dorre schrale sandige ... ackeren [1641; iWNT], een schraele en koude Troost [1648; iWNT], schrale winden ‘niet-groeizame (koude en droge) winden’ [1655; iWNT].
Nnd. schrāl ‘dor, armoedig, schaars’; nfri. skrael ‘schraal’ als ontlening aan het nnl., naast skriel ‘tenger, mager; karig, gierig’ (< ofri. *skrēl), waarvoor zie → schriel; nde. skral < pgm. *skrēla- of door samentrekking uit *skrēh-ala-/-ila-. Op deze laatste vormen wijzen on. *skræll ‘armoedig, mager’ (op grond van skrælingr ‘Eskimo’, nijsl. skrælna ‘verdorren’, nno. dial. skrælen ‘zwak, ellendig’). Bij de stam pgm. *skrēha- zouden dan bovendien kunnen horen: mnl. schrae ‘schraal’ [1477; Teuth.] (nnl. dial. schrao); mnd. schrā ‘karig, armoedig, ellendig’; nhd. dial. schrāh ‘id.’; on. skrá ‘droog vel’ (ozw. skrá ‘document, oorkonde, gilde’; nzw. skrå ‘gilde’).
De verdere herkomst is onzeker. Er zijn geen duidelijke verwanten buiten het Germaans. Men leidt deze woorden meestal af van een wortel pie. *(s)ker- ‘verdorren, verschrompelen’ (IEW 933), maar het woordmateriaal dat IEW bij deze wortel aanvoert is vrijwel uitsluitend Germaans, zodat de Indo-Europese status ervan uiterst onzeker is, net als bij de homonieme (of identieke) wortel *(s)ker- ‘draaien, buigen’, waarvoor zie → schraag. Volgens Hellqvist (SEO 755) gaat het hier om een klanknabootsend woord dat het geluid van dorre bladeren, dor papier e.d. weergaf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schraal* [mager] {schrael 1599} van middelnederlands (nederrijns) schra [droog, dor, schraal], middelnederduits schra, oudnoors skrā [gedroogde huid, oorkonde]; etymologie niet zeker, vermoedelijk van dezelfde i.-e. stam als scheren1schriel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schraal bnw., sedert Kiliaen schrael Hol. j. ranck ‘gracilis, tenuis’, oostfri. schrāl ‘dor, dun, ellendig, arm, schaars’, fri. skrael ‘schraal’ (uit nnl.) naast skriel, waarvoor zie: schriel. — Er is alle aanleiding dit te verbinden met on. skrælingr (< *skrāhilinga-) ‘Eskimo’, eig. ‘kleine ineengeschrompelde persoon’, nnoorw. skrælen ‘zwak’, skræla ‘sukkelen’ bij skraal ‘slecht gereedschap’. — Een l-afl. van mnl. mnd. schrā ‘dun, mager’, Teuth. schrae ‘droog, dor’, nhd. dial. schrāh ‘mager, dor’ (vgl. nog nnl. dial. devent. schrao ‘schraal’) verder on. skrā v. ‘droog vel; oorkonde, wetboek’, nnoorw. skraa stuk leer’, ozw. skrā ‘document’, ode. skrā ‘oorkonde’.

De etymologie is onzeker. — 1. Men verbindt met de idg. wt. *(s)ker ‘verschrompelen’ en gaat dan uit van een bet. ‘iets dat door schrompelen scheuren krijgt’ (IEW 933). — 2. Of aan de wt. *(s)ker ‘buigen, krom’, waarvoor zie: schraag. — Overigens is het de vraag, of deze beide wortels eigenlijk niet identiek zijn; dit zou stellig aangenomen moeten worden, indien men ze beschouwt als afl. van de wt. *sek ‘snijden’, eigenlijk een woordgroep van werkzaamheden in het primitieve bosbedrijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schraal bnw., sedert Kil.: “Schrael. Hol. j. ranck. Gracilis, tenuis”. = oost-fri. schrâl “dor, dun, ellendig, arm, schaarsch”, fri. skrael “schraal” (neerlandisme) naast skrïel (ofri. *skrêl) “sober, karig, gierig” (ndl. schriel). Uit germ. *skrêla- of evenals on. *skræ̑ll (waarvan skræ̑lingr m. “Eskimo”, nijsl. skræ̑lna “van droogte verschrompelen”, noorw. skrælen “zwak, ellendig”) uit *skrêχala-, -ila-; dit van *skrêχa-, waarop Teuth. schrae “droog, dor”, Deventersch schrao “schraal”, nhd. dial. schrâh “ mager, dor”, mnd. schrâ (naast schrage, met gramm. wechsel? Veeleer een secundaire vorm) “id., ellendig, slecht” kunnen teruggaan en waarvan ook noorw. dial. skraaen “droog” e.a. ngerm. woorden gevormd zijn. Een deel van de geciteerde wgerm. vormen zijn echter wellicht evenals mnd. schrâde “dor, mager, ellendig”, vel. šrôj “schraal” uit wgerm. *skrâχ(a)þa- of *skrâχ(a)da- ontstaan [of wgerm. *skrâþa-, -da-? Vgl. schroeien I]. Al deze vormen veronderstellen evenals on. skrâ v. “stuk droog leer” een germ. basis skrêχ-, skreχ-, waarnaast wellicht skrê-, skrô-”samenkrimpen”. Hierbij misschien ook hd. schräg met zijn bijvormen: zie schraag. Hoort schraag zelf er misschien ook bij? ’t Feit, dat zoowel naast de bij schraag besproken woordfamilie als naast die van schraal een synonieme germ. basis skreŋk- > skriŋk- bestaat (zie schrank en schrompelen) kan dit overigens onbewijsbare en semantisch niet wsch. vermoeden doen opkomen. Eventueel zouden alle woorden, waarvoor we hierboven van een basis skrêχ-, skreχ- uitgingen, ook germ. skrâχ- uit skraŋχ- kunnen hebben: skraŋχ-, ablautend met skriŋχ-, zou dan een auslautvariant van skriŋk- kunnen wezen. In dat geval zouden noch schraag noch hd. schräg verwant kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schraal bijv., Kil. schrael + Ndd., Fri. id., De. skral, IJsl. skrælna (=verdorren), uit *skrahal-; hierbij dial. Hgd. schrah, Hgd. schräg, Mndd. schrâ = mager, dor: oorspr. onzeker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schraal, van een oud w.w., dat in ’t Oudnoorsch nog verdorren bet.; het woord w.d.z. dor, uitgedroogd, niet-weelderig, mager. De (Friesche) bijvorm is schriel, eveneens dor, onvruchtbaar, wat niet veel geeft; vandaar werd schriel = zeer karig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schraal ‘mager, karig’ -> Deens skral ‘onvoldoende, slecht; over de wind: ongunstig’; Noors skral ‘ellendig, gebrekkig, karig, slecht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skral ‘slecht, zwak’ (uit Nederlands of Nederduits); Caribisch-Engels scrawly ‘mager en er ziekelijk uitziend (vooral van iemand met vlekkerige huid)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schraal* mager 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut