Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schot - (het schieten, belasting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schot 2 zn. ‘het schieten’
Mnl. sc(h)ot ‘pijl’ in eijnen halven dusint schotes ‘een vijfhonderd pijlen’ [1361-66; MNW], Eenen boghe ende eenre dozyne scots ‘een boog en een dozijn pijlen’ [1407-32; MNW], ‘schietwerktuig’ in verbod die grote scote ‘(hij) verbood de grote schietwerktuigen’ [1285; VMNW; nnl. ‘het schieten’ [1809; Wdb. ND].
Ablautende vorm (nultrap) bij de wortel van het werkwoord → schieten; zie ook → scheut. Daarnaast in de betekenis ‘pijl’ onder invloed van mnl. schutte ‘boogschutter’ (zie → schutter) ook wel mnl. schutte ‘pijl’ [1240; Bern.] en vaker sc(h)ut.
Mnd. schot ‘projectiel; soort belasting’; ohd. scoz ‘projectiel; loot’, erd-scozza ‘loot’ (nhd. Schoss, Schössling ‘loot’); ofri. skot ‘schietwapen, belasting’ (nfri. skot); oe. sceot, scot ‘schietwapen; het schieten; soort belasting’ (ne. shot); on. skot ‘id.’ (nzw. skott); < pgm. *skuta-. Daarnaast met voorvoegsel pgm. *gi-skuta- en *gi-skutja- ‘schietwapen; projectiel’, zie → geschut. Zie ook → schoot 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schot1* [het schieten, belasting] {1263-1267 in de betekenis ‘belasting’; de betekenis ‘werptuig’ 1285; de betekenis ‘het schieten’ 1819} van schieten [zich plotseling bewegen of bewogen worden, een geldsom opbrengen], vgl. geldschieter. In de uitdrukking schot en lot betalen [zijn burgerplicht vervullen] is lot het aandeel dat door het lot is bepaald, vgl. middelnederlands scot ende lot ghelden [betalen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schot znw. o., mnl. scot (2de nv. scōtes, zelden scottes) o. ‘werptuig, pijlen, schietwerktuig, spruit, grendel, houten schot, afgeschutte ruimte, opsluiten van vee, dat de eigendom van anderen beschadigt, belasting’, mnd. schot o. ‘werptuig, schietwerktuig, belasting, grendel, schut’, ohd. scoʒ o. ‘werptuig, spruit’ (nhd. schoss m. ‘spruit; belasting’), ofri. skot o. ‘werptuig, belasting’, oe. sceot, scot o. ‘het schieten, snelle beweging, belasting’ (ne. shot), on. skot o. ‘het schieten, werptuig, bijgebouw, appelleren, bijdrage, belasting’ (> me. ne. dial. scot ‘tribuut, belasting’. — Verbaalnomen van schieten.

Uit frank. *skot ‘belasting’ is ontstaan ofra. escot, nfra. écot ‘aandeel aan een gelag’. — De sterk uiteenlopende betekenissen van schot zijn te verklaren uit de rijke spreiding van de bet. van schieten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schot znw. o., mnl. scot (gen. scōtes, zelden naar analogie van den nomin. scottes) o. “werptuig, pijlen, schietwerktuig, spruit, grendel, houten schot, afgeperkte ruimte, het opsluiten van vee dat de eigendommen van anderen beschadigt, belasting”; de bet. “het schieten” sedert Kil.: mnl. in deze bet. scōte (zie scheut). De groote verscheidenheid van bett. bij schot, germ. *skuta- is te verklaren uit de ruime bet.-sfeer van schieten, waarbij het behoort. Dat nnl. schot speciaal in de bet. “schut” met tt flecteert, zal wel op invloed van schut berusten. Nnl. schot, mnl. scot = ohd. scoʒ o. “werptuig, spruit” (nhd. schoss m. “spruit”, ook evenals mhd. (md.) schoʒ m. “belasting”), mnd. schot o. “werptuig, schietwerktuig, belasting, grendel, schut” (os. ’t ww. skoton “opschieten, uitspruiten”), ofri. skot o. “werptuig, belasting”, ags. sc(e)ot o. “’t schieten, snelle beweging, (in samenst.) belasting” (eng. shot; scot “aandeel, schatting, boete” uit ’t Noorsch? Ags. komt meer voor gesceot o. “wapens, wapen, belasting, bijgebouw”. Zie geschut), on. skot o. “het schieten, werptuig, bijbouwsel, het appelleeren, bijdrage, belasting”. Uit ’t Germ. fr. écot “gelag”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schot. De bet. ‘het schieten’, hoewel bij Kil. vermeld, is eerst laat-nnl. aangetroffen. — Eng. scot kan uit het Noors, maar ook uit ofr. escot (fr. écot: zie slot v. h. art.) ontleend zijn; wellicht is beide juist.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schot 1 o. (belasting), + Mhd. schoʒ (Nhd. schosz), Ags. sceot (Eng. scot), On. skot: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van schieten = geld verschieten. Hieruit Fr. écot = aandeel.

schot 3 m. (in de melk), staat voor schod en behoort bij schudden + Hgd. schotten; z. hot 1.

schot 4 o. (alle andere bet.), Mnl. scot + Hgd. schusz: gevormd als schot 1. en schot 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjeut (zn.) schot, steek; Nuinederlands schot <1819>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schot (het, -ten), (i.h.b., hist.:) loos kanonschot op Fort Zeelandia dienende als tijdsein voor Paramaribo en omstreken. Als het schot van acht uur valt, is het afgelopen, dan gaan allen naar huis. Nacht Ma, nacht Ma Da (Hijlaard 32). - Samenst.: avondschot*, middagschot*, morgenschot*. Zie ook: mailschot*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skot I: – skoot – , knal, ontbranding, slag v. vuurwapen; keer, maal, slag, by vRieb (kanon)schot/-schoot; Ndl. schoot/schot (Mnl. scoot/scote), Hd. schuss, Eng. shot, hou verb. m. Ndl. schieten, Afr. skiet, Eng. shoot, Hd. schiessen.

skot III: afskeiding, afskorting; Ndl. schot (Mnl. scot), vgl. Ndl. beschot, Afr. beskot, “lambrisering”, mntl. ook verw. aan Ndl. beschutting, Afr. beskutting.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

schot 'afgeschoten ruimte, omheind terrein'
Mnl. schot 'afgeperkte ruimte, afgeschoten terrein', nnl. schot 'afgeschoten ruimte of hok'. De variant schoot uit schote (datief enkelvoud) is moeilijk te scheiden van schoot 'hoek hoger land uitspringend in het terrein'. Schot heeft betrekking op het afsluiten van percelen met een omheining, enerzijds om te voorkomen dat loslopend vee gewassen op de akkers beschadigt, anderzijds om het vee zelf op te sluiten. In meer speciale betekenis: 'schuur of kooi voor het houden van beesten, met name varkens en schapen', in samenstellingen als mnl. varckenschot, varkenscote (mv.), scaepschot, nnl. schapenschot.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Schot en lot betalen, verouderd, mnl. scot ende lot ghelden, belastingplichtig zijn, zijn verschuldigde belastingen betalen; schot van (geld)schieten of betalen en lot voor: het door het lot aangewezen aandeel in de lasten.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schot, van schieten. In: „schotbaar land”; „schot en lot betalen”, is schot = belasting, daar schieten oudtijds ook bet.: geld schieten, geld betalen; vgl. voorschieten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schot ‘het schieten’ -> Ambons-Maleis skòt ‘het schieten’; Kupang-Maleis skòt ‘het schieten’; Menadonees skòt ‘het schieten’; Ternataans-Maleis skòt ‘het schieten’; Negerhollands skud ‘het schieten’; Sranantongo skot ‘het schieten’.

schot ‘(verouderd) belasting’ -> Frans dialect scot ‘gelag’ Frankisch; Frans écot ‘aandeel (in een gezamenlijke maaltijd)’ Frankisch; Baskisch eskote ‘gelag, rondje, glaasje (bijv. rum)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schot* belasting 1176 [Rey]

schot* het schieten 1819 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2017. Schootgaan,

d.w.z. er vandoor gaan, snijden (Antw.), van een vlieger gezegd, als het touw breekt (fri. op 'e kletter gjean); weggaan zonder te betalen; ook: met een meisje weggaan; doodgaan; schot gaan met iets, er mee weggaan (Focquenbr. II, 19). Oorspronkelijk zal de uitdrukking geluid hebben te schote, tschoot gaan (vgl. schrap staan, pal staan, zoek raken, schuil gaan, enz.), vooruitschieten, voortschieten, hetzij gedacht moet worden aan het 17de-eeuwsche schoot (voortgang; vgl. bij Hooft zijnen schoot nemen) of aan schot, dat bekend is in de uitdr.: er zit of komt geen schot inVgl. De Telegraaf, 9 Januari 1915 (avondbl.), p. 6 k. 1: Meer kans dat het botert, dat er ‘schot’ in komt, dat de wereld beweegt om in een oude term van Galilei te spreken; fri. der is gjin skoat yn 't wirk., het schiet niet op; schot maken, voortgaan (Winschooten, 237; Halma, 573); schot zetten, spoed maken; een scheut krijgen, opschieten. Zie Van Lennep, 192; Harreb. II, 258; Leopold I, 188; Landl. 169: Nou zie je 't eris, as 't er op an komt gaan die andere schoot met de zaak; Handelsblad, 22 Febr. 1916, p. 5 k. 4 (ochtendbl.): Met den door den vader gekozen candidaat gaat een oude vrijster schoot. Vgl. bui gaan (Harrebomée III, 24 a), dat hetzelfde beteekent. In Zuid-Nederland schoots zijn, - gaan, weg zijn (Loquela, 435); op scheut gaan, uitgaan om te drinken, aan den zwier gaan of op zwik, op schok gaan (Schuerm. 586 a; Rutten, 199 b; Antw. Idiot. 1083; 1074; Tuerlinckx, 550; 554); scheut zijn, weg zijn (Leopold I, 49).

2024. Zich buiten schot houden,

waarvoor in de Middeleeuwen: hem uten scote houden (Froissart I, 324) gezegd wordt; 16de eeuw: zich buiten schoots of scheuts houden, naast buiten schoots blijven; vgl. Sartorius I, 4, 44: Extra telorum jactum, buyten schoots, pro eo quod est in toto, extraque periculum; 45: intra telorum jactum, binnen schoots, hoc est, intra periculum; ghy zijdt nu al binnen schoots, quoties emptor precium venditori offert non rejiciendum, aut qui paciscendo conditionem offert commodam satis et minime contemnendam; Winschooten, 235: Wij kreegen de vijand binnen schoots: dit beteekend ook oneigendlijk, in de klem, in het naauw: buiten schoots blijven: oneigendlijk, sig in geen gevaar begeeven; sig niet laaten inwikkelen in een saak, daar gevaar in steekt; evenzoo Hooft, Ned. Hist. 725 (zich buiten scheuts houden); Brederoo, III, 528, vs. 8 (buiten schoots zijn); Tuinman I, 283; bij Halma, 565: Zig buiten scheuts of buiten schoots houden, se tenir à l'écart; ik zal mij wel buiten scheuts houden, je n'ai garde de m'exposer, je n'ai garde de m'intriguer dans une affaire perilleuse; Sewel, 709: Buiten schoots blyven, to keep one's self out of danger. Het schijnt dat eerst in de 19de eeuw ‘buiten schot blijven’ voorkomt; vgl. Harreb. II, 259; Ndl. Wdb. III, 1849; XIV, 541; Nkr. VI, 1 Juni p. 2: De heeren, die de dubbeltjes hebben, die deelen nu eenmaal de lakens uit. Die zullen wel zorgen, dat ze buiten schot blijven; Jord. II, 72: Zou hij zwijgen.... ontmaskeren.... en zichzelf buiten schot houden? Oostfri. hê hold sük bûten de schöt.

2025. Elk schot is geen eendvogel,

van eene daad blijven de natuurlijke gevolgen wel eens uit; niet alles gelukt. Vgl. Winschooten, 235: Elke schoot is geen endvoogel: dat is, het lukt altijd niet eeven wel; Halma, 138: Elke schoot is geen endvogel, spreekw. tous les coups ne portent pas; on ne rencontre pas toujours; Sewel, 214; Tuinman I, 280: Een paard met vier voeten struikelt wel; zo mist het ook een meester wel eens. Elke schoot is geen endvogel; Adagia, 3: Alle scheuten sijn geen entvogels, non semper feriet quodcumque minabitur arcus; Harreb. I, 171: Elk schot is geen eendvogel, anders kwamen er meer, men past dit toe op mislukking van allerlei aard, bepaaldelijk op het gedrag van den lichtmis, die er zich mede troost; Molema, 516: Elk schot is gijn eendvogel; zuidndl. Alle scheuten zijn geen endvogels, niet alles gelukt (Antw. Idiot. 406); oostfri. elker schöt is gên treffer (of gên ântfögel).

2026. Schot en lot betalen

is eene verouderde uitdrukking voor belasting betalen, aan zijne verplichtingen als burger voldoen; nml. scot ende lot ghelden, belastingplichtig zijn, zijne belastingen betalen, syn. van te scote ende te lote staan. Het znw. scot wordt afgeleid van het ww. scieten, in den zin van geld schieten, tot iets bijdragen, terwijl men onder lot moet verstaan ‘door het lot bepaald aandeel’, ‘aandeel in de belasting’. Zie Vondel, Roskam, 153; Gijsbr. v. Aemst. vs. 59; Mnl. Wdb. IV, 827; VII, 687; Ndl. Wdb. VIII, 3060; fri. skot en lot bitelje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut