Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schorten - (ontbreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schorten ww. ‘ontbreken’
Mnl. scorten (overgankelijk) ‘belemmeren’ in Saul die scorte der heiden pas ‘Saul belemmerde de doorgang van de heidenen’ [1375-1400; MNW-R], (onovergankelijk) ‘ontbreken, tekortschieten’ in Wie scort lantkusten of huuskusten ‘degene die tekortschiet in het betalen van land- of bebouwingskosten’ [1429; MNW], daarnaast ook schorten ‘opgorden, het van onderen opbinden van kleding opdat deze de grond niet raakt’ [1477; Teuth.] (eerder al met op-, zie hieronder), in Ic scortede mine slippen onder minen riem [1450-1500; MNW]; vnnl. schorten ‘ontbreken, mankeren’ Soo schort mijn, laes! welsprekentheyt ‘ontbreekt het mij helaas aan welsprekendheid’ [1610-19; iWNT], Het lijf schort voedsel ‘het lichaam zit om voedsel verlegen’ [1612; iWNT], Neen, dat en schort myn niet ‘Nee, dat mankeert mij niet’ [1615; iWNT].
Afleiding van een in het Nederlands niet meer geattesteerd bn. *schort ‘kort’.
Ofri. skorta (ontleend aan het mnl.?) ‘ontbreken’; oe. sceortian ‘kort worden, tekortschieten’; on. skorta ‘ontbreken’ (nde. skorte ‘te kort zijn; ontbreken’); < pgm. *skurtēn-. Daarnaast met ander achtervoegsel pgm. *skurt-jan-, waaruit: oe. gescyrtan ‘verkorten, verminderen’. Bij het hieraan ten grondslag liggende bn. *skurti- ‘kort’ horen: ohd. scurz; oe. sc(e)ort (ne. short). Wrsch. zijn ook → schort en Engels shirt (zie → shirt) van dit bn. afgeleid.
Wrsch. niet verwant met het Latijnse leenwoord → kort (OED), maar afgeleid van de wortel pie. *(s)ker- ‘snijden’, zie → scheren 1.
opschorten ww. ‘uitstellen’. Mnl. opsc(h)orten ‘gorden, opbinden van kleding’ in Eenen ionghelinc ... Vp ghescord ‘een jongeman (met) opgebonden kleding’ [1285; VMNW], Dit decretael wert opgescorst bi den paeus Adriane ‘dit decreet werd tijdelijk buiten werking gesteld door paus Adrianus’ [1393-1402; MNW], opschorten ‘uitstellen, verlengen’ [1477; Teuth.]. Gevormd met → op bij schorten ‘opgorden’. Uit de oorspr. ruimtelijke betekenis ‘opbinden, in de hoogte doen’ ontwikkelde zich via ‘verhinderen naar beneden te komen’ de overdrachtelijke betekenis ‘ophouden, belemmeren voortgang te hebben, uitstellen’. Zie ook → schorsen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

opschorten [uitstellen] {opscorten 1285} van op + schorten.

schorten [korter maken door opbinden, ontbreken] {schorten, schurten [kleren opbinden, de werking belemmeren, ontbreken] 1406} < laat-latijn ∗excurtiare [de staart afsnijden, verkorten], van ex [uit] + curtus [verminkt, besneden, kort] (vgl. kort1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schorten 1 ww. in opschorten, vgl. mnl. opscorten ‘(de kleren) van onderen opbinden, (neus en lippen) optrekken, uitstellen’, samenstelling van scorten ‘minder breed maken, opbinden, belemmeren’ (vgl. nnl. dial. zaans ‘de stenen van de molen buiten gebruik stellen’), mnd. schorten ‘(de neus) optrekken, uitstellen’, mhd. schürzen ‘verkorten, opbinden’ (nhd. schürzen). — Afl. van het bnw. *skurta ‘kort’, waarvoor zie: schort.

schorten 2 ww. ‘ontbreken, haperen, mankeren’, mnl. scorten ‘ontbreken’, Kiliaen schorten (Holl. Sicamb. Fris.), oe. sceortian ‘kort worden, te kort schieten’, on. skorta ‘ontbreken’. — Alleen west. en ngerm. *skortōn, skortēn eveneens van het bnw. *skurta ‘kort’ gevormd, waarvoor zie: schort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schorten II ww., door Kil. “Holl. Sicamb. Fris.” genoemd), ags. sceortian “kort worden, te kort schieten”, on. skorta “ontbreken” (waarbij skortr m., skort o.”wat er aan iets ontbreekt”), w.- en ngerm. *skurtôn, *skortôn. Hierbij misschien nog owfri. da scertha “het ontbreken (van een deel van ’t vermogen)”.

schorten I ww., in opschorten, mnl. opscorten “(de kleeren) van onderen opbinden, (neus en lippen) optrekken, uitstellen”. Een ook nhd. mnd. samenst. van mnl. scorten “minder breed maken, (de kleeren) opbinden, belemmeren”, nog dial. = “buiten werking stellen” (Zaansch, van een molen). = mhd. schürzen “verkorten, (de kleeren) opbinden” (nhd. schürzen), mnd. schorten “id., (den neus) optrekken, uitstellen’, ags. scyrtan “kort maken”. Een afl. van *skurta- “kort” (zie bij schort): wgerm. * skurtian. Schorsen komt uit ’t Fr., is echter voor ’t taalgevoel reeds mnl. met schorten in associatie getreden. — Bij *skurta- ook mnl. scorten “schorten, ontbreken” (noordholl.; nnl. schorten II).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schorten I, in opschorten: deze samenst. ook ofri.: up-skerta ‘verkorten’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schorten o.w., Mnl. scorten, gelijk Hgd. schürzen = inkorten, opschorten, On. skorta = ontbreken, uit Mlat. excurtare, met ex denomin. van Lat. curtus: z. kort. Sommigen zien schort en schorten voor echt Germ. woorden aan, die bij den wortel van scheren behooren. Als kort en schorsen ontleende woorden zijn, is er geen reden opdat schort en schorten dat ook niet zouden zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

opskort ww.
1. Tydelik beëindig, bv. produksie. 2. Uitstel, bv. 'n vonnis.
Uit Ndl. opschorten (al Mnl.), 'n samestelling van op en schorten 'opbind, optrek; ontbreek'. Aanvanklik het opschorten die lett. bet. 'hoër vasmaak, omhoog bring' gehad, waaruit die bet. 'verhinder dat iets na onder kom' en daarna die fig. bet. 'ophou, belemmer om voortgang te hê, uitstel' ontwikkel het.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skort II: ww., uitstel (bv. opskort); Ndl. schorten (Mnl. (op)scorten, o.a. “klere van onder af opbind”), Hd. schürzen, hierby ook ww. skort, “kortkom, ontbreek, skeel aan”; Ndl. schorten (albei by Kil as schorten, die tweede meer bep. as o.a. Holl. en Fri., maar ook in Oeng. sceortian, “kortskiet”).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schort (kleedingstuk, voorschoot), van ’t Lat. excurtus (van curtus = kort); dus: het korte kleed. – Schorten (opschorten) is letterlijk: het kleed als een schort opnemen, inkorten; vandaar ook: de behandeling van een of ander onderwerp opschorten, inkorten; ten laatste ook: uitstellen, nalaten. – Ook schorsen, dat eveneens van excurtus komt, kreeg een zelfde bet.: de vergadering schorten, iemand schorsen (zijn bediening doen ophouden). – Ook het werkw. schorten in de bet. van ontbreken behoort hierbij, bijv: „Wat schort U?” (= wat ontbreekt U?): het ziet nl. op het kort of te kort zijn, dus op een ontbreken, een gebrek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schorten ‘ontbreken’ -> Fries skorte ‘ontbreken’; Deens skørte ‘een touw inkorten’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Negerhollands skot ‘ontbreken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

opschorten uitstellen 1285 [CG Rijmb.]

schorten ontbreken 1429 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut