Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schors - (buitenste laag van (boom)stam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schors zn. ‘buitenste laag van (boom)stam’
Mnl. scorce ‘bekleding van gewas’ [1240; Bern.], draden di waren van scursen van linden ‘draden, die waren (gemaakt) van lindeschors’ [1276-1300; VMNW], hout minnen si ... om die scortse die si eten ‘ze (bevers) zijn dol op hout vanwege de schors die ze eten’ [1287; VMNW].
Ontleend aan Oudfrans escorce ‘schors’ [1176; Rey] (Nieuwfrans écorce), dat is ontleend aan middeleeuws Latijn scorcia ‘id.’ [9e eeuw; FEW], nevenvorm met betekenisverschuiving van klassiek Latijn scortea ‘lederen mantel’, een afleiding van het bn. scorteus ‘van huid, lederen’ van scortum ‘huid, vel’.
Latijn scortum is wrsch. verwant met: Latijn corium ‘huid, vel’ (zie → kuras); Oudkerkslavisch kora ‘bast’ (Russisch korá); < pie. *(s)kor- (IEW 938). Wrsch. horen deze woorden bij de wortel *(s)ker- van → scheren 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schors [bekleding van gewas] {schorse, schur(t)se 1201-1250} < oudfrans escorce (frans écorce), uit een kruising van latijn scortum [vel] + cortex (2e nv. corticis) [schors, kurk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schors znw. v., mnl. scortse, scorse, scurtse, scurse, scuertse, scuerse, evenals mnd. schortse < ofra. escorce (nfra. écorce), dat teruggaat op lat. cortice (nom. cortex) ‘schors’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schors znw., mnl. scor(t)se, scur(t)se, scuer(t)se (d. i. scȫr(t)se) v. Evenals mnd. schortse v. “schors” uit ofr. escorce (fr. écorce) “id.”. Dit wordt afgeleid uit lat. cortex (zie kurk), in anlaut beïnvloed door ex-corticâre; ook uit scortea “vel, pels”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schors v., Mnl. scorse, uit Ofra. escorse (thans écorce), verbaalabstr. van escorcer, Lat. excorticare, met præf. ex- denom. van cortex (-icem) = schors (z. kurk.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skors s.nw.
Buitenste kurkagtige bekleding van houtagtige plante of die buitenste grys sellaag van die harsings.
Uit Ndl. schors (Mnl. scor(t)se, scur(t)se, scuer(t)se) 'buitenste bekleding van houtagtige gewasse'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schors (Oudfrans escorce)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schors, van ’t Ofr. escorce (thans écorce), van ’t Lat. cortex = bast.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schors bekleding van gewas 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut