Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schorriemorrie - (uitschot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schorr(i)emorrie zn. ‘uitschot’
Nnl. schorrimorri ‘volk van laag allooi, uitvaagsel’ in Als schorrimorri loopt met Nieuwe Haring om [1698-1700; WNT], schorremorry ‘uitschot’ in Jou schorremorry, zeg, hoe kun je My zo beschrobben ‘... zo'n schrobbering geven’ [1703; WNT beschrobben].
Klankwoord met typische rijmformatie, vergelijkbaar met Engels hugger-mugger en Frans pêle-mêle, waarbij het tweede lid ook steeds met een m begint. Herkomst onzeker, mogelijk inheems vanwege een verscheidenheid aan geattesteerde overeenkomstige woorden: Nieuwnederduits schurremurre, schorremorre, schurjemurje ‘uitschot, gemeen volk’, Vroegnieuwhoogduits Schory Mory ‘geslachtsgemeenschap’ [1600; Kluge21], Beiers- en Oostenrijks-Duits schurr(i)murr(i) ‘opvliegend persoon’, scomorrium ‘biersoort uit Münster’ [1513; Kluge21], Schorlemorle ‘met spuitwater aangelengde wijn’, daarnaast vanaf de 13e eeuw bekend van de familienamen Scorlemorle, Schorlemurle in Lüneburg [1271; Kluge21].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schorremorrie*, schorriemorrie [uitschot] {1698-1700} nederduits schurremurre, schorremorre, oostfries schurjemurje; etymologie onzeker, men heeft wel verondersteld dat het ontleend is uit perzisch shūr-o-mūr [verwarring], wat niet erg plausibel lijkt. Het lijkt waarschijnlijker dat het woord te midden van woorden als schobbejak, schoelje, schurk, schorem, mogelijk als afleiding van het laatste, is ontstaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schorremorrie znw. o. ‘uitschot; gemeen volk’, nnd. schurremurre, schorremorre, oostfri. schurjemurje. — Gewoonlijk afgeleid van perz. šūr-u-mūr ‘verwarring, herrie’, wat niet geheel bevredigt. — In verschillende betekenissen zijn overeenkomstige woorden bekend, zoals nhd. Schory Mory (Neurenberg 1600) ‘vleselijke vereniging’, schorlemorle ‘naam voor dranken’, o.a. voor Munsters bier (reeds in de 13de eeuw de familienamen Scorlemorle, Schorlemurle in Lüneburg). Dan toch eerder te denken aan een inheems woord met een typische rijmformatie.

De afleiding die H. Schröder, Donum Schrijnen 1929, 568 vlgg. geeft uit de de. uitdrukking i skuddermudder ‘in duigen vallen, verkeerd uitkomen’, in de oudere taal ook ‘lawaai, verwarring’, dat men verklaart door het ww. skudre ‘schudden’, welke uitdrukking dan op een mnd. *skuddermudder, skoddermodder zou teruggaan, is vernuftig, maar zeer hypothetisch. — Het nl. woord bet. eigenlijk ‘samenraapsel, uitschot, vuilnis’; de bet. ‘gemeen volk’ kan door die van schorem beïnvloed zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schorremorrie, gew. schorrimorrie znw. o. Uit perz.-turksch šurmur “verwarring, herrie”, dat ook elders ontleend werd. Bij ons wsch. via de zuidslav. en du. landen ingevoerd. Verkort: schorem (vgl. prol voor proleet).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schorremorrie. H. Schröder Donum Schrijnen 568 vlgg. gaat uit van de. skuddermudder in de uitdr. gå i sk. ‘in duigen vallen, verkeerd uitkomen’ dat hij op een mnd. *skuddermudder, *skoddermodder (het eerste lid bij schudden, het tweede een rijmformatie bij het eerste) herleidt, waaruit dan door overgang -dd- > -rr- vormen als ndd. schurremurre, schorremorre, oostfri. schurjemurje enz. zouden zijn ontstaan. Deze verklaring werkt te veel met hypothetische vormen en indirecte reconstructies, om tegenover de goed gefundeerde afl. in het art. een kans te hebben. Niet hierbij schorem: zie dat woord Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schorremorrie v., uit Tu. šurmur = verwarring, herrie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skorrie s.nw.
Eendstert, jongmens van onbetaamlike openbare gedrag.
Verkorting van skorriemorrie, mntl. met bygedagte aan skollie.

skorriemorrie s.nw.
Gepeupel, gespuis, onopgevoede mense, of skurk, skobbejak.
Uit Ndl. schorr(i)emorrie (Mnl. scurre ende murre, waarna 1698 - 1700 in die vorm schorrimorri), gewestelik in Antwerpen, Deventer en Groningen ook 'rommel, vullis' en 'skurk, skobbejak'. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling skorriemorriespul 'deurmekaarspul', by Mansvelt (1884) in die vorm skorrimorri en by Kern (1890) in die vorm skorrie morrie.
Die herkoms van Ndl. schorriemorrie is onseker, maar dit is wsk. afgelei van Ndl. schorem (1912 - 1914) 'skorriemorrie' of ontwikkel minder wsk. uit Hebreeus shor vachamor (1867) 'osse en esels' of Jiddisj soyrer-umoyre (1888) 'moedswillige en weerspannige niksnuts' of via Suidslawiese en D. lande uit Persies-Turks shurmur 'herrie, verwarring'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skorriemorrie: janrap; Ndl. schorri(e)morrie/schorremorrie, afl. uit Jid. soyrer-umoyre, “niksnuts” (Hebr. sorēr ūmōreh, “koppig-rebels”) lyk aanneemliker as afl. (via Hd. en SSlaw.) uit Pers.-Tur. shurmur, “herrie, verwarring”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schorriemorrie: gepeupel, laag volk. Sedert ca. 1700. De spelling van het woord kan nogal variëren. Zo vinden we ook schorremorrie en schorrimorrie terug. De afkomst is twijfelachtig. Volgens sommigen zou het afgeleid zijn van de familienaam Schorlemorle, dat tegelijkertijd een benaming is voor een mengsel van gazeuse en wijn. Wat hiermee het verband zou zijn, is niet meteen duidelijk. Een andere theorie is dat bewoners van de lage landen destijds door de Spaanse bezetters werden uitgemaakt voor churriburri (heffe des volks). Schorriemorrie zou hier dan een verbastering van zijn. Ook een ontlening aan het Jiddisch is mogelijk. Het Hebreeuwse sjorim we chamorim (ossen en ezels) zou dan aan de basis liggen.

Maar dan dadelijk voelde ik prettige begeerlijkheid hem te laten weten, dat-ie was ’n end schorriemorrie… (Jacob Israël De Haan, Pijpelijntjes, 1904)
Dat schorrimorri denkt maar, dat ze overal in kunnen. (Chr. van Abkoude, Kruimeltje, 1923)
Van dat schorremorrie in Hollandia scheet hij toen ook pullen, en zij van hem. (Bouke B. Jagt, De muskietenoorlog, 1976)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Schorremorrie
Is, zegt men, het Hebr. sjoor wa-chamoor, ossen en ezels. Of de verklaring goed is, durf ik niet beslissen , maar zeker is het, dat sjoor wa-chamoor meermalen in ’t O. T. voorkomt, b. v. Gen. 32, 6; I Sam. 22, 19.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schorr(i)emorrie ‘uitschot’ ->? Russisch dialect šurymúry ‘liefdesaangelegenheden, geheime overeenkomsten’; Oekraïens šurimúri ‘liefdesaangelegenheden, geheime overeenkomsten’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schorr(i)emorrie* uitschot 1698-1700 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2022. Schorriemorrie,

d.i. samenraapsel, gepeupel. De oorsprong van dit woord is onzeker. Hoogstwaarschijnlijk is het afkomstig uit het Oosten. In de Oost-Europeesche talen tenminste komen woorden voor, die zeer veel op het onze gelijken en in beteekenis vrijwel overeenkomen. Zoo bestaat er een perzisch-Turksch woord sjurmur, dat vertaald wordt door confusion, tumulte; Albaneesch sjirimiri, Servisch sjuriburi, sjurumuru, Sloweensch cjurimuri, Russisch sjurymury, die alle beteekenen: alles door elkander, onverstaanbaar, verward gepraat. In de Spaansche woordenboeken: churriburri, ‘persona baja’ en ‘concurso de esta especie de gente’. Zie Tijdschrift XVI, 240. Het woord komt sedert het laatst der 17de eeuw voor. Vgl. H. Sweerts, Koddige en Ernstige Opschriften, 1709 (2de druk), III, 26: Als schorri-morri loopt met nieuwe haring om; C. Wildsch. III, 331; Br. v. B. Wolff, 205: Want zie, men heer, ik ben van geen schorrimorri, risken risken, haksken paksken; Huydecoper op Stoke II, 144; Tuinman I, 204: t Is schorremorre van volk; fri. skoaremoare. Een verkorte vorm is schorem (zie Menschenw. 8; Jord. II, 32; 335; Twee W.B. 172; Kalv. II, 149; Sjof. 202; Nw. School II, 276: Onder ons gezegd, zijn die meisjes, ondanks de opvoeding bij de model-juffrouw, een zootje schoremBij Voorzanger en Polak, 268 wordt schorem vergeleken met sheqorim, arm, slecht, leugen.). Als adjectief in Landl. 15: Zoo'n schoreme nacht-boot, vanwaar weder schoremerd (in Prol. 18).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut