Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoren - (steunen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoren* [steunen] {1423} fries skoarje, middelengels shore, oudnoors skorða; behoort bij scheren1; het verband is verklaarbaar als men denkt aan een van boven ingekeepte balk of een gaffel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoren ww. ‘stutten, steunen’, mnl. scōren ‘stutten’, nfri. skoarje ‘stutten; zich schrap zetten, leunen, schoorvoetend iets doen’, ne. shore ‘stutten’. — Men zal wel mogen verbinden met on. skorða ‘stutten’ en skorða v. ‘steunbalk, stang’. Gaat men uit van een van boven in tweeën gespleten tak, tak met gaffeleind, die als steunbalk gebruikt werd, dan kan men aanknopen aan de groep van scheren (IEW 940).

Een andere maar weinig bevredigende verklaring beproeft J. H. van Lessen Ts 66, 1949, 119, die van geluidnabootsende woorden wil uitgaan en verder verbindt met scheuren en schuren; oudste bet. van schoren zou dan zijn ‘druk uitoefenen om te steunen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoor (stut, steunpaal), mnl. scōre (v.?). = mnd. schōre (schāre), fri. skoarre, eng. shore “stut”. Hierbij ’t ww. mnl. scōren (nnl. schoren), fri. skoarje, eng. to shore “stutten”, ndl. (dial.) schoor in zich schoor zetten “zich schrap zetten” en schoorvoeten, beide nog niet bij Kil. Vgl. nog fri. skoarje met de bett. “zich schrap zetten, leunen, schoorvoetend iets doen”. Wsch. niet verwant met schuren, ofschoon de bett. “wrijven, zich schrap zetten tegen, stutten” semantisch die combinatie mogelijk zouden maken. Maar schuren is wsch. een ontl. uit ’t Fr. ’t Is niet zeker, of vla. schoore v. “schoor”, schooren “schoren” (reeds bij Kil.) oude klankwettige ablautsvormen met germ. au dan wel jongere vormen zijn. Mogelijk, maar zeer onzeker is ’t, dat germ. *skurô(n)- (*skaurô-n-) met de oorspr. bet. “afgehakte of afgezaagde balk” van idg. seqū̆- “snijden” (zie bij schuren) zou komen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skoor ww.
Terg, pla.
Wsk. uit Ndl. schoren (Mnl. in die teenwoordigetydsvorm sceren) 'skeer, bespot, vir die gek hou' of minder wsk. uit Ndl. schoren (Mnl. scoren) 'steun, stut', waarvan die bet. mntl. deur gekskeer beïnvloed is in die sin dat jy tergend en gekskerend ondersteuning soek vir jou standpunt. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880). In skoorsoek het die bet. verder ontwikkel tot 'moeilikheid en rusie soek'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoren* steunen 1423 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut