Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schor - (hees)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schor 1 bn. ‘hees’
Vnnl. schor ‘hees’ in Mijn schrale schorre keel [1610-19; iWNT verder], maken zijn ... keele schor ‘maken zijn keel hees’ [1624; iWNT], met schorre en heesche keel [1627; iWNT].
Wrsch. een klanknabootsend woord (Toll.). Verband met het iets eerder aangetroffen bn. schor ‘steil’ [1532; iWNT], dat wrsch. samenhangt met → scheren 2, is onzeker en onwaarschijnlijk. Misschien is er verband met → scheur, dus, eigenlijk een “verscheurde keel”.
Vergelijkbaar zijn: mnd. schurren ‘een schrapend geluid voortbrengen’, nhd. dial. schurren ‘id.’, nzw. dial. skarra ‘id.’, zw. skorra ‘een schrapend geluid maken’. Ablautend bij mnl. scarren, scerren ‘krabben’, ohd. scerran ‘krabben’, mhd., nhd. scharren ‘krabben’. Als bn. komt schor buiten het Nederlands niet voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schor2* [hees] {1617} vgl. middelnederduits schurren [een schor geluid geven], een klanknabootsende vorming, ablautend naast scharren [krabben].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schor 2 bnw., eerst na Kiliaen overgeleverd, bet. ‘een schrapend geluid’, vgl. mnd. nhd. schurren ‘een schurend geluid maken’, nde. skurre ‘snorren, vals klinken’, znw. skorra ‘een keel-r spreken’. — Abl. naast de onder scharrelen besproken woorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schor I bnw., nog niet bij Kil. Jongere ablautvorm bij de onomatopoëtisch gevoelde basis van scharrelen. Evenzoo mnd. schurren “een schor geluid voortbrengen”, zw. skorra “een keel-r spreken” (in bet. = noorw. skarre), ook evenals de. skurre “slecht, oorverscheurend klinken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schor I bnw. Een oudere vorming is wsch. het sedert 1532 opgetekende schor (ook schoor) in de thans verouderde bet. ‘steil’ (vgl. ohd. scorro ‘rots’ e.a. bij schor II besproken). De tegenwoordige bett. van schor (sedert begin 17e eeuw) zijn daaruit bezwaarlijk af te leiden. Vgl. ook schor II Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schor 1 bijv.(heesch, ruw), ablaut bij scharrelen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schor* hees 1617 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut