Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schor - (aangeslibd land)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schor 2 zn. ‘aangeslibd land’
Onl. skora ‘oever’ in de plaatsnaam Scoronlo ‘Schoorl (Noord-Holland)’ [918-48, kopie 11e eeuw; Künzel]; mnl. sc(h)or ‘buitendijks land’ in opt scor die es .lxxvii. roden. van den hoke vanden west polre ‘op het schor dat 77 roeden van de rand van de Westpolder ligt’ [1291; VMNW], schorre in alle sulcke gorsse, schorre sliclant ende aenwerp (vier synoniemen voor buitendijks aangeslibt land) [1414; MNW].
Herkomst onzeker; wrsch. afgeleid van de nultrap van de wortel van → scheren 1 ‘afsnijden’; de oorspr. betekenis was dan ‘(afgesneden, uitstekend) stuk land’. De korte o is wrsch. afkomstig van de (verkorte) vorm schorre. Vergelijk ook on. sker ‘lage klip, eilandje’ bij dezelfde wortel.
Mnd. schōr, schār ‘voorland, kustland’; nfri. skoar(re) ‘schor, kwelder’; me. schore ‘land grenzend aan de zee of aan een ander groot water, kust’ (ne. shore); < pgm. *skura-. Rechtstreeks verband met een woord voor ‘steil’ (bijv. ohd. scorra ‘steile rots’, nfri. skoar ‘steil’, oe. scoren clif ‘steile rots’) is onwaarschijnlijk, aangezien de continentale woorden voor schor juist uitgesproken laaggelegen land aanduiden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schor1*, schorre [aangeslibd land] {in de vroegere Belgisch-Brabantse plaatsnaam Score 1140, schor(e) 1246} middelnederduits schor(e) [kust, oever], middelengels schore (engels shore) [snijden, scheren]; van scheren1 [snijden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schor 1 znw. v. ‘buitendijkse aanwas’, mnl. scorre v., scor o., scōre v. en in de 16de eeuw ook schorre o. Kiliaen schoore, schoor, schōre, schorre ‘aangeslibd land; kust, oever’, mnd. schōre, schor o. ‘schor, kust, oever’, fri. skoarre ‘schor’, me. schore (ne. shore) ‘oever, kust’. Daarnaast geeft Kiliaen schore, schoore, schorre ‘steile kust, rots’, vgl. ohd. scorro m. ‘rots’ en verder scorren, oe. scorian ‘steil uit- of omhoogsteken’. — Er is geen reden, de woorden ‘schor’ en ‘steile kust, rots’ van elkaar te scheiden, want het uit mnl. schor ontleende fra. accore bet. ook ‘steile helling van een klip of zandbank’ (sedert de 16de eeuw; Valkhoff 41), immers aan de zijde van de zeestroming vallen de randen der schorren gewoonlijk steil af naar de waterspiegel. Ook on. sker duidt de even boven water uitstekende klip aan. — Het woord is afgeleid van scheren; daarnaast staan de abl. vormen schaar 3 en scheer. — Zie voor dial. vormen nog W. de Vries Ts 40, 1921, 93-94).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schor II znw., mnl. scorre v. naast scor o. (nog zuidndl. dial.), scōre (ô?) v., in de l6. eeuw ook schorre o. en bij Kil. schoore, schoor, schore, schorre. Evenals mnd. schor(e) o. “schor, kust, oever”, fri. skoarre “schor”, meng. schore (eng. shore) “oever, kust” van de bij scheren besproken basis: de oorspr. bet. was wsch. “het afgesnedene, begrensde” of “afscheiding”, minder wsch. “het steil afgebrokene, steile kust”. Deze grondbet. had wel Kil. schore, schoore, schorre “steile kust, rots”, benevens ohd. scorro m. (scorra v.?) “rots”, waarbij scorrên “steil uit- of naar boven steken”; vgl. ook ags. scorian “id.”. De vormen met rr kunnen van de verlengde idg. basis sqers- (zie scharrelen) komen. Vgl. nog ohd. scorno m., scorn (m.? Nog opperhess. schorn m.), scorso m. “aardkluit”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schor II znw. Hierbij ook Teuth. schare ‘oever’, Kil. schaer ‘rots, klip’ (nnl. schaar, vooral in schaardijk), met andere ablautsphase, vgl. mhd. schar ‘steil’ (gron. schaar ‘id.’), mnd. schar ‘ondiep’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoor 1 m. (aangespoeld land), + Ndd. schore, Fri. skoarre, Ags. score (Eng. shore) = kust: bij scheren 1., als hetgeen steil afgesneden is.

schor 2 v. (oever), Mnl. scorre + Ohd. scorro (Mhd. schorre), met rr uit rz bij schoor 1.

schorre 2 v. (aanslijking), hetz. als schor 2.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

schoor 'land aan water'
In het kustgebied betekent schoor, schore 'land aan water, oever' (vergelijk ne. shore), in Zeeland in het bijzonder 'buitendijks aangeslibd land'. In het binnenland wijzen namen als Rietschoor en Schoorbeemd op een betekenis 'oeverstuk langs een kleine rivier'1. In de Kempen heeft schoor, dial. scheurke, vaak betrekking op een 'rijbruggetje over een smalle waterloop' en zou schoor bij schoren 'schragen' behoren2. Waar een waterloop ontbreekt, knoopt men aan bij scheuren in de betekenis 'gescheurd, geploegd land', zo bij Schoorakker, waarnaast Schuurakker en wellicht Haverschoor. In de omgeving van Sterksel wordt reeds rond 1196 Scorken vermeld, in 1301 Scoerken3. In 1530 is bij Veghel sprake van "een stuck lants mitten houtwassche" geheten dat Scoerken, gelegen "aen die Heye"4.
Lit. 1Moerman 1956 198, 2De Bont 1969 37v, 3Künzel e.a. 1989 321, 4RAV R23 fol.107-8.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schor ‘(verouderd) steil’ -> Frans accore ‘steil (van rots)’.

schor, schoor ‘aangeslibd land; (verouderd) steile rivieroever’ -> Engels shore ‘kust, oever; strand tussen eb- en vloedlijn’; Frans schorre ‘aangeslibd land’; Frans † accore ‘steile rand (van klip, bank)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schor* aangeslibd land 0918-948 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut