Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schop - (schep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schop 1 zn. ‘schep’
Mnl. sc(h)uppe, sc(h)up ‘schopblad’ in stocken, dair men die yseren scuppen an sette ‘stokken waar men de ijzeren schopbladen aan bevestigt’ [1343-45; MNW], ‘schop (blad inclusief steel)’ in enen sterken man ... mit eenre scup [1436-1506; MNW], eyn schup, spade, hacke of ander reitscap dair men myt grevet ‘een schop, spade, hak of ander gereedschap waarmee men graaft’ [1477; Teuth.], met -o- in sout ... mit een scop te meten ‘zout, m.b.v. een schep af te meten’ [eind 15e eeuw; MNW]; vnnl. Dat schopje, daer de aerde mee om ghespit is [1623; iWNT], twee schoppen [en] 2 spaden [1659; iWNT].
Mnd. schüppe (nnd. Schuppe, Schüppe); nhd. Schippe (oorspr. Midden-Duits), gewestelijk Schüppe; alle ‘schop’, < pgm. *skuppō-, skuppjō-. Vanwege de grote overeenkomst in betekenis zou men met NEW, Kluge21 kunnen denken aan verwantschap met → schoep en met → scheppen 2 ‘met een hol voorwerp uitnemen, putten’, maar dit stuit op formele bezwaren: de ablautreeks a/ō/u komt in het Germaans niet voor. Een wat de vorm betreft betere mogelijkheid is herleiding tot pie. *skubhnó- (FvW, Kluge) bij de wortel van → schuiven, zoals het geval is bij → schoffel (oorspr. ‘schop’, zo ook oostelijk nhd. Schaufel ‘schop’).
schoppen 1 zn. ‘kleur in het kaartspel’. Vnnl. in dat is klaveren, dat is ruyten, dat is schoppen, en dat is harten [1612; WNT]. Volgens de traditionele verklaring genoemd naar de vorm van de figuur, die op een schop zou lijken. De vormgelijkenis is echter niet zo sterk als bij de andere drie kaartkleuren. Mogelijk is het Nederlandse woord een leenvertaling van Engels spades, dat enerzijds ‘schoppen (als kaartkleur)’ betekent, maar ook het meervoud is van spade ‘spade’ (zie → spa(de)). Als kaartkleur is dit misschien een leenwoord uit Italiaans spade, mv. van spada ‘zwaard met een scherpe punt’, vroeger ook ‘schoppen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schop3* [schep] {schoppe, schuppe [schop, spade, schep] 1370} van scheppen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schop 2 znw. v. ‘spade’, mnl. scoppe, scuppe v. (vla. schip, schippe eerder ontronding, dan umlaut) ‘schop, schep’, mnd. schuppe v. ‘schop’, nhd. schüppe v. (blijkens -pp- eigenlijk een middel- of noordduits woord). Daarnaast abl. schoep en zie verder: scheppen. — mnl. scoppe > fra. écope (sedert de 15de eeuw) ‘schep om water uit het schip te hozen’ (Valkhoff 122). — Over mogelijke overname van schuppe in de Mark Brandenburg vgl. Teuchert Sprachreste 247-8.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schop II (spade), mnl. scoppe, gew. scuppe v. (nog met umlaut vla. schip, schippe — vgl. bij schop I —, of met bei. md. schippe een ander woord) “schop, schep”. = nhd. schüppe v. (oorspr. frank. oostmd. ndd.), mnd. schuppe v. “schop”. Mnl. schoep(e) v. “schep, scheplepel of -emmer” (nog dial. met verschillende bett.), mhd. schuofe v. “schep, scheplepel, emmer”, mnd. schôpe v. “schep, scheplepel”, Teuth. schoepe “gieter”, schuep “wan” (eng. scoop “schop, schep, hoosvat” is leenwoord) hooren bij * skapa- “vat”: zie schepel en scheppen. Uit ’t Germ. fr. écope “hoosvat, gieter”. Misschien moeten wij in *kôpô(n)- een secundaire vṛddhi-formatie zien; als dit woord oud was, zou het in verband met *skapa- en scheppen op een basis idg. sqā̆b- of sqē̆b-, sqō̆b- (sk̑?) “scheppen” of “gieten” wijzen en de bij scheppen voor *skapa- gegeven etymologie minder wsch. maken. Schop, germ. *skuppô(n)-, -iô(n)- is een heel ander woord; misschien hoort ’t met pp uit idg. bhn bij schuiven; voor de bet. vgl. schoffel. Men heeft ook voor verschill. germ. vormen rom. oorsprong aangenomen: uit vulgairlat. *scuppa, *scûpa, *scôpa, door kruising van scyphus en cuppa, cûpa, côpa “beker” ontstaan. Wsch. is dit ten deele juist en zijn een germ. en een rom. woordgroep door elkaar geloopen; vgl. nog ’t leenwoord okorn. escop “lepista”, sedert de 15. eeuw in ’t Bret. voor verschillende gereedschappen en deelen daarvan gebruikt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schop II (spade). Over germ. pp uit idg. bhn zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schop v. (spade), Mnl. scoppe, bij schepel en scheppen 2. Uit Ndl. komt Hgd. schüppe en Fr. écope.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skop s.nw.
Graaf of ander skepding met 'n gebuigde hol blad.
Uit Ndl. schop (Mnl. scoppe). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling skopgraaf en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm skoppi.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schop (spade) komt in vele Germ. talen voor, nu eens als spade, schoffel of scheplepel, dan weer als gietpot of schepvat. – Mogelijk is het een afl. van scheppen: water scheppen (’t dialect heeft nog schoep), dus oorspr.: een waterschep met langen steel; vandaar ook bij overdracht: een spade (die eveneens op een waterschep lijkt). – Voor schop als schommel, zie men Schuiven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schop ‘schep, werktuig’ -> Fries skop ‘schep, werktuig’; Engels scoop ‘schep, werktuig; later: exclusief nieuws oppakken, primeur’; Duits dialect Schüppe, Schop ‘schep, werktuig’; Deens scoop ‘primeur’ ; Zweeds skopa ‘hoosvat, schepvat’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans scoop ‘belangrijk nieuws, vrijgegeven door een persbureau; primeur’ ; Frans écope, escope ‘hoosvat (om te hozen); houten beker voor het afromen van melk (verouderd)’; Italiaans chope ‘bierpul’ ; Italiaans scoop ‘primeur’ ; Bretons skop ‘hoosvat’ ; Esperanto skopo, ŝkopo ‘houten of blikmetalen hoosvat’ ; Tswana sekôpô ‘schep, werktuig’ ; Indonesisch sekop, skop ‘schep, spade’; Boeginees sikkôpang ‘schep’; Jakartaans-Maleis sekóp ‘schep’; Javaans sekop, sekrok, sekrop ‘spade, schep’; Kupang-Maleis sakóp, skop ‘schep’; Makassaars sikôpang ‘schep, spade van Europees model’; Menadonees skop ‘schep’; Minangkabaus sekop, sikap ‘schep’; Soendanees sikup ‘schep’; Creools-Portugees (Ceylon) schop ‘schep, werktuig’; Japans sukoppu ‘schep, werktuig’; Munsee-Delaware škǝp ‘werktuig om te scheppen’; Negerhollands skop ‘spade’; Berbice-Nederlands skop ‘schep, werktuig’; Papiaments skòp (ouder: skop, schop) ‘spade, blik (van stoffer en blik)’; Sranantongo skopu (ouder: skop) ‘schep, spade, werktuig’; Saramakkaans sikópu ‘schep’; Arowaks shikópü ‘schep, werktuig’; Karaïbisch sikopu ‘schep, werktuig’ ; Tiriyó sorope ‘schep, werktuig’; Warau sikobo ‘werktuig’; Surinaams-Javaans sekop ‘schep, werktuig’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kopi ‘schep, werktuig’ ; Polynesisch kope ‘schep’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schop* schep 1370 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

schop: op de — nemen, gaan, ingrijpend reorganiseren, gereorganiseerd worden.

Roemenië gaat op de schop. De helft van alle staatsbedrijven wordt in één klap aan de man gebracht. Iedereen rijk, belooft de regering. (De Volkskrant, 03/09/94)
Het toverwoord bij bedrijfsproblemen luidt: reorganisatie. De voorstellen van diverse commissies buitelen over elkaar. Momenteel wordt het ministerie zelf voor de zoveelste keer op de schop genomen en de rechtbanken staan voortdurend in de steigers. (Elsevier, 26/10/96)
Naast het OM moeten ook de rechtbanken op de schop, vindt Sorgdrager. (Elsevier, 12/04/97)
Publieke radio op de schop. (Kop in Trouw, 05/12/97)
Maar de meerderheid in de Kamer is er huiverig voor om enkele jaren na de vorige reorganisatie het politie-apparaat weer op de schop te nemen. (Trouw, 09/01/98)
Het advies van onderzoekers van de universiteiten van Leiden en Twente om het politiebestel opnieuw grondig op de schop te nemen, komt hard aan. (Trouw, 27/02/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut