Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schootgaan - (scheep gaan)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schootgaan ww. eerst na Kiliaen bekend, zal wel af te leiden zijn van schoot ‘touw aan ondereind van zeil’, vgl. schoot vieren. — Minder waarschijnlijk is een verklaring uit te schote gaan bij schot 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schootgaan ww., nog niet bij Kil. Wordt uit te schote gaan “voortschieten” verklaard. Schote van schot I of van schoot, mnl. scoot m. o. = “schot, spruitje, schut, uitgezochte soort”. Dit kan een jongere vorm naast schot I zijn, gevormd naar de casus obliqui. Of met ô, uit een ablautend *skauta-?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schootgaan ono.w., uit te schote gaan, waarin datief van schot 4.; vergel. scheep gaan.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2017. Schootgaan,

d.w.z. er vandoor gaan, snijden (Antw.), van een vlieger gezegd, als het touw breekt (fri. op 'e kletter gjean); weggaan zonder te betalen; ook: met een meisje weggaan; doodgaan; schot gaan met iets, er mee weggaan (Focquenbr. II, 19). Oorspronkelijk zal de uitdrukking geluid hebben te schote, tschoot gaan (vgl. schrap staan, pal staan, zoek raken, schuil gaan, enz.), vooruitschieten, voortschieten, hetzij gedacht moet worden aan het 17de-eeuwsche schoot (voortgang; vgl. bij Hooft zijnen schoot nemen) of aan schot, dat bekend is in de uitdr.: er zit of komt geen schot inVgl. De Telegraaf, 9 Januari 1915 (avondbl.), p. 6 k. 1: Meer kans dat het botert, dat er ‘schot’ in komt, dat de wereld beweegt om in een oude term van Galilei te spreken; fri. der is gjin skoat yn 't wirk., het schiet niet op; schot maken, voortgaan (Winschooten, 237; Halma, 573); schot zetten, spoed maken; een scheut krijgen, opschieten. Zie Van Lennep, 192; Harreb. II, 258; Leopold I, 188; Landl. 169: Nou zie je 't eris, as 't er op an komt gaan die andere schoot met de zaak; Handelsblad, 22 Febr. 1916, p. 5 k. 4 (ochtendbl.): Met den door den vader gekozen candidaat gaat een oude vrijster schoot. Vgl. bui gaan (Harrebomée III, 24 a), dat hetzelfde beteekent. In Zuid-Nederland schoots zijn, - gaan, weg zijn (Loquela, 435); op scheut gaan, uitgaan om te drinken, aan den zwier gaan of op zwik, op schok gaan (Schuerm. 586 a; Rutten, 199 b; Antw. Idiot. 1083; 1074; Tuerlinckx, 550; 554); scheut zijn, weg zijn (Leopold I, 49).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut