Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoor - (steunbalk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoor2* [steunbalk] {schore 1343-1346} van schoren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoor znw. m. ‘stut, steunpaal’, mnl. scōre, mnd. schōre, schāre, fri. skoarre, ne. shore ‘stut’. — Vgl. ook de uitdrukking zich schoor zetten en de samenstelling schoorvoeten, beide eerst na Kiliaen en zie verder: schoren. — > nhd. schore ‘steunpaal’ (sedert 1796, vgl. Kluge, Seemannssprache 702); > fra. escore (16de eeuw), later accore ‘houtstuk, om een schip op de werf te schoren (Valkhoff 41).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoor (stut, steunpaal), mnl. scōre (v.?). = mnd. schōre (schāre), fri. skoarre, eng. shore “stut”. Hierbij ’t ww. mnl. scōren (nnl. schoren), fri. skoarje, eng. to shore “stutten”, ndl. (dial.) schoor in zich schoor zetten “zich schrap zetten” en schoorvoeten, beide nog niet bij Kil. Vgl. nog fri. skoarje met de bett. “zich schrap zetten, leunen, schoorvoetend iets doen”. Wsch. niet verwant met schuren, ofschoon de bett. “wrijven, zich schrap zetten tegen, stutten” semantisch die combinatie mogelijk zouden maken. Maar schuren is wsch. een ontl. uit ’t Fr. ’t Is niet zeker, of vla. schoore v. “schoor”, schooren “schoren” (reeds bij Kil.) oude klankwettige ablautsvormen met germ. au dan wel jongere vormen zijn. Mogelijk, maar zeer onzeker is ’t, dat germ. *skurô(n)- (*skaurô-n-) met de oorspr. bet. “afgehakte of afgezaagde balk” van idg. seqū̆- “snijden” (zie bij schuren) zou komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schoor znw., schoren ww. Ook hierbij ags. (wið-)scorian ‘weigeren, zich verzetten’? In ieder geval on. skorða v. ‘steunbalk’, skorða ‘steunen’: Persson Beitr. 373; de verdere combinatie ald. met gr. skēríptō ‘ik steun’ is niet aannemelijk. (Het gr. woord heeft wsch. sk < st).
Schoorvoeten al bij Spieghel; ter schoor (schoren) stellen bij Coornhert, ťschoor zetten bij Spieghel: voor nnl. z. schoor zetten vgl. z. schrap zetten (schrap I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoor 2 m. (stut), Mnl. score + Mndd. schore, Fri. skoarre, Meng. shore (Eng. shore), Zw. skåre, Noor. skora, misschien als afgesneden stuk bij scheren 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoor ‘steunbalk’ -> Engels shore ‘steunbalk; stut; helling (verouderd)’; Duits dialect Schore, Schare ‘steunpaal’; Frans accore ‘steunbalk ter ondersteuning van een schip waaraan wordt gewerkt’; Spaans escora ‘stut, schoor’ ; Portugees escora ‘stutbalk’ ; Baskisch eskora ‘stut, schoor, ondersteuning’ ; Menadonees skor ‘steunbalk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoor* steunbalk 1343-1346 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut