Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

school - (onderwijsinstelling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

school 1 zn. ‘onderwijsinstelling’
Mnl. schole ‘onderwijsinstelling, schoolgebouw, onderwijs’ [1240; Bern.], si heft gegaen ter minnen scholen ‘zij is (door God) ingewijd op het gebied van de (christelijke) liefde’ [1265-70; VMNW], vander scole sint salvators toter steghele spardecopers ‘van het schoolgebouw van Sint Salvator tot het steegje van de paardekoper’ [1284; VMNW], tien tiden was die scole al rene ‘op dat moment was de school zeer goed’ [1285; VMNW]; vnnl. school ‘geheel van personen in kunst of wetenschap met gemeenschappelijke opvattingen of werkwijzen’ in gestolen uyt boecken der geleerde Scholen [1642; iWNT].
Ontleend aan Latijn schola ‘onderwijsinstelling’, dat ontleend is aan Grieks skholḗ ‘school’, eerder ‘aan leren bestede vrije tijd, studie’, oorspr. ‘vrije tijd’. Het woord is misschien een afleiding met l-suffix van skheĩn ‘(vast)houden’, een vorm van ékhein ‘hebben, houden’, zie → schema.
Ook ontleend in de andere West-Germaanse talen: mnd. schole; ohd. scuola (nhd. Schule); nfri. skoalle; oe. scōl (ne. school); nzw. skola. On. skōli is ontleend aan het mnd. of oe. Zie ook → school 2.
scholen ww. ‘onderwijzen’. Vnnl. gae by den esel schoolen ‘ga je licht opsteken bij de ezel’ [1632; iWNT]; nnl. scholen ‘onderwijzen’ [1906; Malsen DN schulen], geschoold personeel ‘personeel met een schoolopleiding’ [1921; iWNT]. Afgeleid van het zn. school. ♦ scholier zn. ‘leerling’. Mnl. scolere ‘koorleerling, zanger(es)’ [1240; Bern.], scolier ‘koorleerling, zanger(es)’ in tusschen die prochiaen ende die scolieren ‘tussen de parochianen en de koorleerlingen’ [1248-71; VMNW], scolier ‘student’ in Met ons waren te Parijs twee jonghe scolieren ‘bij ons in Parijs waren twee jonge studenten’ [1485; MNW]. Ontleend aan Picardisch scoliere ‘leerling’, variant van Oudfrans escolier ‘id.’, een afleiding van Oudfrans escole ‘school’, ontwikkeld uit Latijn schola.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

school1 [onderwijsinstelling] {schole, school 1201-1250} < latijn schola [school] < grieks scholè [vrije tijd, bezigheid in vrije uren, liefhebberij, studie, schoolgebouw] (vgl. sjoel).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

school

Het Griekse woord scholè, waaraan het Latijnse schola en het Nederlandse school beantwoorden, betekent eigenlijk – men zal het met verbazing vernemen – rust, ledige tijd, in het bijzonder: vrij zijn van openbare bezigheden. Dan gaat het woord betekenen: de bezigheid in de vrije tijd, de tijd aan de wetenschap gewijd, de studie. Vervolgens wordt het woord ook gebezigd voor: de plaats waar de leraar of pedagoog zijn wetenschappelijke voordrachten hield en dan zijn wij al vrij dicht bij de huidige betekenis. Men vergete bij dit alles niet dat de vrijgeboren Grieken geen handenarbeid verrichtten. Daarvoor hadden zij slaven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

school 1 znw. v., ‘leerschool’, mnl. scōle v. > lat. schǒla < gr. schǒlḗ. — In het latere geleerdenlatijn luidde het woord schōla en uit deze vorm met lange klinker mnl. scoel, scoele (zelden en dial.), nnl. dial. schoelǝ (kampens), schōlǝ (achterh.), schoul (gron.), mnd. schōle, ohd. scuola (nhd. schule), fri. skoalle, oe. scōl (ne. school) v., terwijl on. skōli m. uit het oe. of mnd. overgenomen is.

Het gr. scholḗ, afgeleid van echein ‘houden, hebben’ van de wt. *seĝh (evenals zege) bet. eigenlijk ‘rust, vrije tijd’, dan ‘vrije tijd om zich met geleerde studie bezig te houden; inrichting voor onderwijs’, vandaar lat. schǒla ‘plaats voor onderricht; groep hoorders van een leermeester’. — Het woord werd waarsch. reeds in de 6de eeuw tezamen met een aantal andere woorden als klooster, monnik en non overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

school I (leerschool), mnl. scōle v.; ō blijkens Maastr. šaol, NBrab. schōl, Goer. schōlǝ (maar nederbetuwsch met ô; vgl. bij roos). Ontl. uit lat. schola “school” (< gr. scholḗ) en wsch. niet uit ofr. escole (fr. école) “id.”. Langs anderen weg ontleend zijn mnl. (zeldzaam, dial. beperkt) scoel(e), nnl. Kamp. schoelǝ, achterh. schôlǝ, gron. schoul, Hindel. skoelle (: fri. skoalle), ohd. scuola (nhd. schule), mnd. schôle, ags. scôl (eng. school) v., on. skôli m. “school”, die uit geleerd-latijn scôla (met jongere vocaalrekking) zijn ontleend. Voor andere dgl. vormen zie bij dom I, foelie, kok, voor dgl. rekking van andere vocalen brief, graad, kruis.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

school I (leerschool). Het Ags. heeft wsch. ook een scolu v. (< lat. schola) gekend. — Bij mnl. scoel(e) enz. ook Heerlsch šoeəl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

school 1 v. (leerplaats), Mnl. scole, gelijk Hgd. schule, Eng. school, Ofra. escole, Nfra. école, uit Lat. scholam (-a), van Gr. skholḗ = 1. rust, vrije tijd, 2. vrije tijd aan studie besteed. Het is een afleid. van den wortel van ékhein = hebben, houden (z. zege)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjaol (zn.) school; Vreugmiddelnederlands schole <1240> < Latien schola.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skool s.nw.
1. Gebou waar onderrig word. 2. Lesse wat gegee word. 3. Instelling waar op primêre en sekondêre vlak onderrig word. 4. Leerders en onderwysers. 5. Rigting in kuns of wetenskap deur 'n leier aangedui of deur 'n groep gevolg. 6. Plek of geleentheid waar iets geleer kan word.
Uit Ndl. school (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1612 in bet. 3 en 4, 1622 in bet. 5, 1657 in bet. 6). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling skoolplaats en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Schule (9de eeu), Eng. school (1000).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

beta’lende school (de, scholen), school waarvoor schoolgeld betaald moet worden. Burgerschool betekende dat het een ‘betalende’ school was; het onderwijs was dus niet kosteloos (Polanen 28).

school: Geneeskun’dige School (de), (hist.) opleidingsinstituut voor geneesheren*, in 1882 opgericht, in 1969 opgegaan in de universiteit. Zie Enc.Sur. 217.
— : je school is te hoog, (scholierentaal) je gaat te ver, wat je zegt is te gewaagd; je gebruikt te erge scheldwoorden. - Etym.: S ’joe skoro é’ = id.

school-, indien gevolgd door de naam van kleding of van een kledingstuk, betekent dat het kleding betreft die alleen naar en op school gedragen wordt, echter niet een schooluniform. Lando heeft inmiddels zijn schoolkleren uitgedaan en loopt nu in een verlepte* bruine broek naar de botralibank*, waar een portie eri-eri* uitdagend op hem wacht (van Mulier 1972: 42). Ze had hem daarvoor gevraagd wat voor een soort huisbroeken* hij droeg en was zichtbaar geschokt toen hij antwoordde dat hij rondliep in korte broeken waarmee hij niets anders bedoelde dan zijn verlepte* schoolbroeken (Vianen 1972: 59). Hij had twee paar schoenen: een schoolschoen [zie schoen*] met verlakte punten en een bruine jubel* voor zondag (Hijlaard 68). - Etym.: Bij kinderen staan deze woorden tegenover huis-*. In AN verouderend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

school (Latijn schola); (niet voor de --, maar voor het leven leren wij) (vert. van Latijn non scholae, sed vitae discimus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

School (leerschool), van ’t Lat. scola = school.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

school ‘onderwijsinstelling’ -> Deens skole ‘onderwijsinstelling’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skole ‘onderwijsinstelling’; Zweeds skola ‘onderwijsinstelling’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests kool ‘onderwijsinstelling’ (uit Nederlands of Nederduits); Noord-Sotho sekolo ‘onderwijsinstelling’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana sekôlô ‘onderwijsinstelling’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa sikolo ‘onderwijsinstelling’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe sikole ‘onderwijsinstelling’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho sekolo ‘onderwijsinstelling’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch skul ‘in Bengkulu: onderwijsinstelling’; Ambons-Maleis skolah ‘onderwijsinstelling’; Atjehnees sikula ‘onderwijsinstelling’ ; Boeginees sikôla ‘onderwijsinstelling’; Iban sekula ‘onderwijsinstelling’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis sekola', sekolè ‘onderwijs volgen’; Keiëes skol ‘onderwijsinstelling’; Madoerees sakola ‘onderwijsinstelling’; Makassaars sikôla ‘onderwijsinstelling’; Menadonees skola ‘onderwijsinstelling’; Minangkabaus sekolah, sikola, sikolah ‘onderwijsinstelling’ (uit Nederlands of Portugees); Savu hekola ‘onderwijsinstelling’; Soendanees sakola, iskola ‘onderwijsinstelling’; Petjoh skola, sekola ‘onderwijsinstelling’; Negerhollands skoel, skōl, skool ‘onderwijsinstelling’; Berbice-Nederlands skul, sulu ‘onderwijsinstelling’; Papiaments skol (ouder: skool) ‘onderwijsinstelling’; Sranantongo skoro (ouder: skolo) ‘onderwijsinstelling’; Aucaans sikoo ‘onderwijsinstelling’; Saramakkaans sikoò ‘onderwijsinstelling’; Arowaks sulu ‘onderwijsinstelling’; Tiriyó sikora ‘onderwijsinstelling’; Sarnami skul ‘onderwijsinstelling’ (uit Nederlands of Engels); Surinaams-Javaans sekolah ‘onderwijsinstelling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

school onderwijsinstelling 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2014. Uit de school klappen.

Eig. gezegd van schooljongens, vertellen wat er in de school gebeurd is; bij uitbreiding ‘uitbrengen wat ergens tusschen de muuren, en in 't geheim geschied’ (Tuinman I, 335). De uitdr. komt in de 16de eeuw voor bij Goedthals, 127: niet te clappen wter schole, aldaar als synoniem opgegeven van tis onder die roosen gheseyt. Zie verder Volksb. XII, 55; Valcooch, Regel der Duytsche Schoolmeesters, 25; Kluchtspel I, 160 (anno 1583); Com. Vet. 7; Langendijk, Wederz. Huwelyksbedr. vs. 264; Van Effen, Spect. VII, 146; Harreb. II, 257 a; Potgieter, Schetsen en Verh. II, 3; voor Zuid-Nederland zie Joos, 83; Teirl. II, 98; Waasch Idiot. 344: uit de biechtStellwagen, Roomsche woorden, 85., de kaart, de school klappen, geheimen vertellen; zuidndl. uit de kapelle klappen of pratenNdl. Wdb. VII, 1437.; fr. dire des nouvelles de l'école; hd. aus der Schule plaudern; eng. to tell tales out of (the) school.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut