Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schooier - (zwerver; deugniet, schurk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schooien ww. ‘bedelen’
Mnl. scooyen ‘voortmaken, zich haasten’ in Scooy duvel ‘scheer je weg, duivel’ [ca. 1460; MNW]; vnnl. schoyen ‘lopen, gaan, rondzwerven’ in schoyen metten sacke ‘rondzwerven met de bedelzak’ [ca. 1502; iWNT], tzamen over tvelt schoyen [ca. 1530; iWNT], volc, datter over schoyde ‘volk dat erover liep (nl. over het ijs)’ [1566; iWNT], schoyt met my naert bedd' ‘ga met me mee naar bed’ [1615; iWNT], schoyen ‘rondzwerven, bedelen’ [1672; Hexham]; nnl. liep hy dagelyks wat schoojen by de huizen [1708; iWNT].
Nnd. schojen ‘schooien’; nfri. skoaie ‘id.’; < pgm. *skajan-? Herkomst onduidelijk. Mogelijk ablautend verwant met got. skēwjan ‘voortgaan’ (met slechts één vindplaats skēwjandans ‘(de) voortgaanden’) en on. skæva ‘lopen, rennen’ (nde. skjæve) < Noord-Germaans *skāwian-. Als de *-w- in pgm. *skew-/skaw- teruggaat op *-gw- uit *-hw- (grammatische wisseling) uit pie. *-kw-, dan kan men denken aan een variant *skekw- van de wortel *skek- van pgm. *skehan- ‘zich snel bewegen’, zie → schielijk.
Oorspr. was de betekenis van dit woord ‘voortmaken, lopen e.d.’, maar al in de oudste vindplaatsen is meestal sprake van ongerichte bewegingen en/of van pejoratief gebruik (bijv. in het citaat van 1460). De betekenisovergang naar ‘rondzwerven’ en ‘bedelen’ volgt daar logisch uit.
schooier zn. ‘bedelaar, landloper, armoedzaaier’. Vnnl. dieven en schoyers [1669; iWNT]. Afleiding van schooien in de betekenis ‘rondzwerven, bedelen’.
Lit.: W.L. van Helten (1871), Proeven van woordverklaring, Leiden, 75-80

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schooier znw., nog niet bij Kil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skooier: landloper, verwaarloosde pers., skurk; Ndl. schooier, “landloper” (afl. v. schooien, “loop” – sedert 16e eeu) hou verb. m. Got. skēwjan, “rondswerf”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schooier: haveloos uitziend persoon; iemand met een slordig uiterlijk; iemand die men om zijn stand minacht. Eigenlijk ‘landloper; bedelaar’.

Stout door die nederigheid zelve en welligt ook door mijn bijzijn, schold de baas hem voor schooijer en deugniet. (Domien Sleeckx, Op ’t Eksterlaar, 1863)
‘Pas op, schooier, neem je in acht!’ (Willem Roda, Eli Heimans.1889)
Gemeene schooier… gemeene sodemieter… tuig! (Frans Coenen, Zondagsrust, 1902)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schooier ‘zwerver; deugniet, schurk’ -> Duits dialect Schooier, Schojer, Schujer, Schujert ‘zwerver’; Deens skøjer ‘zwerver; deugniet, schurk’; Noors skøyer ‘deugniet, schurk’; Zweeds skojare ‘zwerver; persoon die lawaai maakt (verouderd); deugniet, schurk’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut