Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schommelen - ((zich) heen en weer bewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schommelen ww. ‘heen en weer bewegen’
Vnnl. scommelen ‘heen en weer doen bewegen’ [ca. 1530; iWNT], ‘heen en weer en op en neer bewegen’ in de schommellende Zee [1612; iWNT verhuizen], men schommelt het (kindje in een wieg) soo lange tot dat het in slaep is [1646; iWNT].
Een uitsluitend in het Nederlands voorkomend woord, waarnaast in de 15e t/m 17e eeuw nog enkele synoniemen met een vergelijkbare klankstructuur voorkomen: schonghelen [1490; MNW], schonckelen (Hoogduits schunkeln), schoppelen (beide bij Kiliaan), schockelen (Hoogduits schaukeln, frequentatief van → schokken). Het is onduidelijk of en hoe deze woorden elkaar beïnvloed hebben en wat hun herkomst is.
schommel zn. ‘speeltoestel’. Nnl. een vertrek, waer in ... schommels, boven aen de balken vast gehegt waren [1714; iWNT]. Afleiding van schommelen. Al ouder is het synoniem mnl. schonghel [1490; MNW schocke], vnnl. Instrumenten gelijck schongelen ..., om het volck daer in te wiegen [1596; iWNT schongelen].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schommelen1* [(zich) heen en weer bewegen] {1501-1550} vgl. schongel [schommel], klankschilderend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schommelen 1 ww., eerst nnl. maar daarnaast laat-mnl. sconghelen, Kiliaen schongelen, schonckelen (Holl. Fris.) ‘schommelen’ en westvla. en nnd. schingelen. — Misschien mag men denken aan een genasaleerde afl. van de idg. wt. *skek, skeg ‘springen, levendig bewegen’, waarvoor zie: schichtig en geschieden. Dan is het jongere schommelen een secundaire vervorming.

Een taalkaart voor de verschillende benamingen van de schommel geeft T. Weijnen, Taaltuin 6, 1937-8, 389-393, vgl. ook voor Oost-Nederland B. van den Berg, Driemaand. Bladen NS 1, 1949, 29.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schommelen 1 o.w. (schongelen), + Ndd. schummeln, schumpeln; bij schongelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schommelen ‘(zich) heen en weer bewegen’ -> Papiaments skòmber ‘in een lade, kast of zak onregelmatige bewegingen maken als men op zoek is naar iets’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schommelen* (zich) heen en weer bewegen 1501-1550 [WNT schommelen I]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut