Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scholekster - (steltloper (Haematopus ostralegus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scholekster zn. ‘steltloper (Haematopus ostralegus)’
Vnnl. schol exter, zee-exter ‘scholekster’ [1636; Jacht-Bedryff].
Samenstelling met als tweede lid → ekster, vanwege de uiterlijke gelijkenis van het verenkleed van beide vogelsoorten. Voor het eerste lid bestaat geen overtuigende verklaring.
Het leefgebied van de scholekster in Noordwest-Europa is van oudsher vooral de zeekust, wat in de benamingen in sommige andere talen duidelijk tot uiting komt: Vlaams zee-ekster, Fries strânljip = ‘strandkievit’, Deens strandskade = ‘strandekster’, Duits Austernfischer = ‘oestervisser’, Engels oystercatcher en Neolatijn ostralegus = ‘oestervanger’, Fins meriharakka = ‘zee-ekster’. Voor de etymologie van schol- in scholekster zou men dan ook in die richting moeten zoeken. De Vroegnieuwnederlandse betekenissen van schol(le) zijn ‘aardkluit’, ‘ijsschots’, zie → schol 1, en ‘soort platvis’, zie → schol 2, die echter geen voedselbron vormt voor de vogel. Het meest waarschijnlijk is dat het gaat om schol ‘aardkluit’ ook ‘zode’ [1599; Kil.], ‘schijf klei’. Schol- uit → schelp (een belangrijke voedselbron voor deze vogel) is klankwettig niet te verantwoorden. Schol- uit schel ‘afgespleten schelp’ (Blok/Ter Stege) is evenmin waarschijnlijk.
Lockwood (1984) oppert verband met de Engelse volksnaam shalder ‘scholekster’ (op Shetland en de Orkney-eilanden), die ontleend is aan een Scandinavische taal: on. tjaldr ‘scholekster’ (nijsl. tjaldur, nno. tjeld, nzw. dial. tjäll). Nederlands sch- kan hieruit echter noch door ontlening, noch door verwantschap verklaard worden.
Lit.: W.B. Lockwood (1984), The Oxford Book of British Names, Oxford, 40; Eigenhuis 2004, 452-453

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Scholekster Haematopus ostralegus Linnaeus 1758. Forse Steltlopersoort (dus helemaal niet verwant met de Ekster!) met een bont (= zwart-wit) verenkleed als van een Ekster (vgl. deens Strandskade, zweeds Strandskata, F Pie de mer en de volksnamen D Meerelster en E Sea Pie (<Sepy (1527) [Gurney]), welke overeenkomen met vlaams Zee-ekster). De laatste tijd verschijnt deze soort steeds meer als broedvogel in het binnenland, maar vroeger was hij alleen bekend van de zeekust. Fries Strânljip.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 noemt de soort (ws. als vertaling van de wetenschappelijke naam) Oestervanger, ook Schol-Aakster en rekent hem tot het geslacht van de “SCHOL-AAKSTEREN”. Er is nog een oudere bron, nl. uit 1636 [De Tollenaere 020613,2].
ETYMOLOGIE Aangezien in meerdere talen de schelpen-etende eigenschap van de Scholekster tot uitdrukking is gebracht, moet het mogelijk zijn dat de naam ook in het N ooit *scholp-aakster is geweest, of eventueel *schelp- of *schulpaakster met naderhand de gemakkelijker uitspraak [scholekster] (in fries skil ‘zeeschelp’ ontbreekt de p ook!). (In het mnl zijn er enkele verschillend klinkende woorden voor schelp: schelpe, schilpe, schulpe en ook scholpe.) Zulke namen zijn echter in de literatuur nog niet aangetroffen. Houttuyn 1763 (p.267) schrijft dan ook dat hij niet weet om welke reden de vogel destijds Schol-Aakster werd genoemd; als schol- gestaan zou hebben voor ‘scholp, schelp’, zou hij dat toch gemakkelijk geraden moeten hebben. Een andere, eveneens niet bewezen mogelijkheid is dat de D (silezische) volksnaam Schólaster voor de Ekster bij de Scholekster terechtgekomen is.
Naast bovenstaande verklaringen zou er speciaal voor het naamsdeel schol- aan een verband gedacht kunnen worden met de E volksnamen Shelder, Shalder, Chalder en Scolder (Shetland, Orkneys) en via deze met noors Tjeld en ijsl/ faerös Tjaldur (tjaldr). Dit laatste woord brengt NEW 1992 in verband met de schommelende gang van de Scholekster (sub touteren), Lockwood 1993 daarentegen noemt het een onomatopee (vanuit een wortel *tel, die ook aan de basis van de naam Teal ‘Taling’ zou liggen).
[Het gemeenschappelijke in alle woorden schol ‘vis, ijsschots’, schel in de betekenis van ‘schil’ of ‘schaal’, schelp en scalp, te weten ‘dat wat afgespleten is’, stamt van idg *(s)kel. Deze verschilt van de wortel *(s)ker, die ten grondslag ligt aan woorddeel schol- in Schollevaar, Aalscholver ↑.]
[Het eerste lid zou misschien kunnen staan voor het geluid dat de vogel maakt, de bekende schelle roep “te-piet”. Bij het N en D ww. schellen wordt echter wel steeds aan een schel ‘bel(letje)’ gedacht. Voor het geluid dat de Brilduiker (D Schellente) in vlucht met zijn vleugels maakt, is dit wel een goede typering.] Schol- als stam van het ww. schol(l)en zou misschien kunnen [Wilms], al is dit een zuidN ww.; uit WVD krijgt men niet de indruk dat Vlaanderen nu het ‘thuisland’ voor de naam Scholekster is (in slechts vier dorpjes, waarvan er dan nog twee in Oost-Vlaanderen (binnenland!) liggen, is de naam gangbaar. De suggestie dat het eerste element ooit ‘schor’ geweest is [Wilms 961117,4], past goed bij de biotoop van de soort. Echter, schor is de zeeuwse naam voor ‘begroeid slik’, en de naam Scholekster, alweer, heeft geen ‘thuisbasis’ in Zeeland (niet op Zeeuws-Vlaanderen, waar het Zee-ekster is, niet in Borssele (Zee-ikster) en ook niet op Schouwen, waar het Zee-lieven is).
Het zou de zaak van de Scholekster misschien verder helpen als we wisten waar de volksnaam Scholjak [B&TS 1995] gangbaar is (ws. níét in Friesland, waar de woorden met sk- beginnen!), en wat -jak in dit verband betekent (mogelijk ‘-ekster’?).

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

SCHOLEKSTERHaematopus ostralegus
Duits Austernfischer
Engels Oystercatcher
Frans Huîtrier pie
Fries Strânljip
Betekenis wetenschappelijke naam: bloedroodpotige oesterverzamelaar. Zoals ook hierboven blijkt toont z’n naam hem als liefhebber van oesters. In Nederland komt dit in de volksnaam en Oestervisser (ZH), Oesterdief, Oestervreter en Oestervanger naar voren. Toch berust dit op een vroeger misverstand, want de vogel krijgt de zeldzame oesters niet te pakken, wel mosselen en andere schelpdieren. Met z’n snavelpunt splijt de Scholekster de schelpen open teneinde de inhoud te kunnen verorberen. Naar de er afgespleten schelp, destijds de schol genoemd, is het woorddeel ‘schol’ ontstaan. Zijn zwart-witte kleuren hebben tot ‘ekster’ geleid, want ze komen overeen met de kleuren van de vroeger zeer algemene vogel, de Ekster. Zelfs een volksnaam van de Ekster, Akke (daar een klanknabootsing), is opgenomen in de naam Akkelaai (Gr). Ook in Scholjak is ‘akke’ herkenbaar. Misschien is hier ook gedacht aan ‘jakken’ = voort akkeren, naar de manier van lopen. De uitgang ‘laai’ betekent het zelfde als Laif, Lieuw, Lieven e.d., welke elementen deel uitmaken van een aantal volgende namen. Ze stammen af van het Noordfriese liiw en het Oudengelse liif en zijn een klanknabootsing van de fluitende roep van de Scholekster. Ook worden Laif e.d. wel gezien als varianten op de persoonsnaam Lieuwe, die leeuw betekent. Behalve die roep zijn tevens de kleuren van de vogel getypeerd in Bonte Piet, Bûnte Pyt (Ter), Bonte Lieuw (Ame), Bonkte Lieuw (Wie), Bonte Liuwert (Ter, Vli), Bonte Lieft (WFr), Bonde Laiw (Gr), Makke Laif (Gr) – mak gedrag bij het nest –, Bûnte Liu(w) (Fr) en Zwarte Piet (Ach). Soms wordt volstaan met Lieuw(e) (Tex), Lieven (Sco) en Liwiet (Goe). Van z’n zwart-witte pak straalt volgens sommigen een zeker gezag uit, hetgeen in de namen Börgmeister (Gr) en Domenie (ZVl) naar voren komt. Vanwege die kleuren vergeleek men hem met de Kluut en de Ekster; zo ontstond Kluitekster (Bet) en zelfs Kluut (ZBW) en Kliet. Ook de zwart-wit gekleurde Kievit werd aangehaald. Dat is zichtbaar in Strandkieft, Zeekieft (Kam) en Zeekiewiet. Uit deze Kievit-van-de-kust blijkt tevens, dat de Scholekster ten tijde van deze naamgeving, in tegenstelling tot de weidevogel de Kievit, nog hoofdzakelijk op onze stranden en slikken voorkwam. In dit kader passen voorts Strandjager, Strantsnip (Dr), Strandikster (ZBW), Zeêikster (ZBW), Ziè-ekster (ZVl), Zeelieven (Sco), Zandwulpe (Ach), Sliekoakster (Gr), Slijkaakster (Gr), Strân-ljeap (Fr), Straanleep (Fr) en de vrijwel gelijkluidende algemene Friese naam. Maar met Fjildakster (Fr) is verwoord dat de Scholekster ook en in toenemende mate in bouw- en weilanden broedt. Het Friese woord ljip (ook ljeap of ljeep), dat eveneens voor de Kievit bekend is, is ook in de naam Bûnte Ljip (Fr) opgenomen. Ljip is verwant aan het Engelse to leap en kan voor wat de namen betreft worden omschreven als ‘haastige loper’ of ‘springende loper’. Misschien is in later tijd de betekenis van ljip e.d. ook als klanknabootsend ervaren. De betekenis van Stindel (Gr) is naar wij vermoeden ‘vogel met stevige snavel’, dit bij vergelijking met de achtergrond van de Engelse vogelnaam Stint. Nu kan het Engelse woord stint ook beperkt betekenen en hiervan uitgaande kan Stindel op de gedrongen lichaamsvorm van de vogel duiden. Misschien is er ook verwantschap tussen het vermelde Stint en de naam Stynsk (Fr). Indien deze naam ontleend is aan ‘sting’ dan is de betekenis ‘staak’, waarmee dan kan worden gedoeld op de lange rechte snavel. Vergelijkbaar zijn de Friese namen Stynjeske Liuw, Stynske Ljip of Stynske Ljeap en Stynske Kiwyt. De naam Eastynjeske Kiwyt (Ste) zou, evenals Oostindische Kievit (Dr), als woordspeling uit de voorgaande kunnen zijn gevormd. Een recentere opvatting bij al deze namen is dat men vroeger wilde aanduiden dat de vogel iets exotisch heeft.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut