Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scholastiek - (combinatie van theologie en filosofie); (betreffende de scholastiek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scholastiek zn. ‘combinatie van theologie en filosofie’; bn. ‘betreffende de scholastiek’
Mnl. Scolastica willic ontbinden Jn dietsche word vten latine ‘de “scholastica” wil ik ontsluiten in Nederlandse woorden uit het Latijn’ [1285; VMNW]; vnnl. als bn. in Scholastijcque oeffeningen ‘oefeningen in de scholastiek’ [1631; iWNT], zn. Scholastica ‘theologie-onderricht op filosofische grondslag’ in in ghevalle hy mochte van sinnen worden de Studia Theologica, ofte Scholastica niet te volgen ‘in het geval dat hij het plan mocht opvatten om de studie theologie of scholastiek niet te volgen’ [1631; iWNT zin], vele Scholastijcken ‘vele beoefenaars van de scholastiek’ [1634; iWNT]; nnl. scholastiek ‘theologie op filosofische grondslag’ in twisten der scholastiek [1865; iWNT afdwaling].
Ontleend aan christelijk Latijn scholastica ‘id.’, een afleiding van het bn. scholasticus ‘geleerd’ (zn. ‘geleerd man, student’), dat is ontleend aan Grieks skholastikós ‘id.’, een afleiding van het ww. skholázein ‘vrije tijd besteden (aan leren)’, eerder ‘vrije tijd hebben’, bij het zn. skholḗ ‘vrije tijd’, zie → school 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scholastiek [schoolse wijsheid] {1631} < frans scolastique [idem] < latijn scholasticus [van de school, schools, retorisch, geleerd], hiervan het o. mv. scholastica [schoolse oefeningen], van schola [wetenschappelijk onderwijs, school, filosofische of juridische richting] (vgl. school1).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Scholastiek; Lat. scholasticus = wat tot de school behoort. De Scholastiek beteekent de wijsbegeerte der middeleeuwen; in den beginne was het meer de manier waarop, dan wel de leer die onderwezen werd. Oorspr. noemde men doctores scholastici de leeraren der 7 vrije kunsten, welke in de kloosterscholen van Karel den Grooten werden onderwezen. Daarna waren scholastieken de leeraars in de theologie en ten slotte heeten scholastieken de aanhangers der scholastiek, d. w. z. der christelijke wijsbegeerte, zooals die in de middeleeuwen ontstond. Deze philosophie trachtte de leerstellingen (dogma’s) der kerk in overeenstemming te brengen met de wetenschap, zooals die door Aristoteles was omschreven, of, zooals men wel eens zegt: zij wilde harmonie brengen tusschen geloof (kerkleer) en wetenschap (verstand). Hoewel later de scholastiek door andere richtingen in de wijsbegeerte werd bestreden, is zij steeds blijven voortbestaan en in 1879 werd zij door Paus Leo XIII als de officiëele philosophie van de R.-K. kerk erkend.
Scholástici heeten ook een onderafdeeling der Jezuïeten. (Z.d.w.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scholastiek ‘schoolse wijsheid’ -> Indonesisch skolastik ‘schoolse wijsheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scholastiek schoolse wijsheid 1631 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut