Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schok - (krachtige beweging, hevige emotie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schokken ww. ‘stoten, schudden; onthutsen’
Mnl. schockelen (frequentatief) ‘heen en weer schudden’ [1494; MNW]; vnnl. schocken ‘herhaaldelijk door een stoot in krachtige beweging komen’, een schockende peert [beide 1562; Kil.]; nnl. schokken ‘plotseling emotioneel aangrijpen’ in zo geschokt, zo ontrust [1782; iWNT].
Herkomst onduidelijk. Mogelijk een klankexpressief woord. De betekenis ‘plotseling emotioneel aangrijpen’ is een leenbetekenis van Frans choquer ‘aanstoot geven’.
Oorspr. alleen continentaal West-Germaans: mnd. schocken ‘stoten, schokken, heen en weer bewegen’; mhd. schocken ‘heen en weer bewegen, schommelen, dansen’ [ca. 1340; Gärtner]. Hierbij het zn. schok (zie onder) en verder: os. scocga, skokka ‘schommelbeweging’ (mnd. scucke); mhd. schocke ‘het schommelen; schommel; windstoot’. Verband met het sterke werkwoord pgm. *skakan- ‘schudden, schokken’, waarvoor zie → schaken 2, is onduidelijk.
Frans choquer ‘botsen; choqueren’, met de afleiding choc ‘schok’, is oorspronkelijk alleen Noord-Frans (reeds Oudpicardisch chuquier ‘stoten’ [13e eeuw; TLF], zie → choqueren) en gaat terug op een Germaanse taal. (V)ne. shock is ontleend aan het Frans, zie het leenwoord → shock. De hierboven genoemde Hoogduitse woorden zijn verouderd: nhd. Schock ‘shock, plotselinge hevige emotie’ is een jongere ontlening aan het Engels.
Zie ook → schrokken.
schok zn. ‘krachtige, plotselinge beweging; plotselinge hevige emotie’. Vnnl. schocke oft schonghel ‘krachtige beweging’ [16e eeuw; MNW], schock ‘id.’ [1588; Kil.], ‘plotselinge, hevige ontroering’ in de schok van zoo ... gevoelyk een' verheughenis ‘de schok van zo'n ontroerende blijde gebeurtenis’ [1642; iWNT klok I]; nnl. door eenen kleinen Electrische schok bedwelmd [1777; iWNT verdooven]. Eveneens een klankexpressief woord of afgeleid van schokken of andersom. Het woord schok ‘getalmaat, 20-tal of 60-tal’ (ook Duits Schock) is niet verwant.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schok 1 znw. m. ‘stoot, bons’, sedert Kiliaen, ohd. scoc ‘schokkende, schommelende beweging’, daarnaast laat-mnl. schocke, mnd. schucke, mhd. schocke ‘schommel’, vgl. os. skocga v. ‘schommel’ en on. skykkjum ‘met stoten, rukken’ en nhd. schaukel. — Moeilijk te scheiden van oe. sceacan ‘schudden’, on. skaka ‘zwaaien, schudden’ (waarvoor zie: schaken).

Van een gewone ablaut kan geen sprake zijn; Güntert, Idg. Abl. probl. 1916, 83 verklaart de vorm *skuk door een ‘schwa secundum’. Eerder zou ik denken aan een affectieve klinkerwisseling, zoals die meermalen is vast te stellen (J. de Vries PBB 80, 1958, 1-32).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schok I (ruk), sedert Kil., evenals ’t ww. schokken. Dit laatste heeft al vroeger bestaan blijkens schockelen “ossilare i. verberare vel scindere” (Gemma 1494). Vgl. ohd. scoc (m.?) “schokkende, schommelende beweging”, mhd., laat-mnl., oudnnl. schocke, mnd. schucke v. “schommel”, os. skocga v. “oscilla”, mhd., mnd. schocken “in schommeling zijn”, on. skykkjum “met stooten, rukken”, nhd. schaukel v. “schommel”. Misschien met – hoe-dan-ook-ontstanen – secundairen ablaut bij germ. * skakanan “zich snel bewegen” (zie schaken II). Een betere etymologie ontbreekt, ’t Is te gewaagd om verwantschap hoogerop met schop I en schommel aan te nemen. Fr. choc “schok, stoot”, choquer “schokken, stooten” (> eng. (to) shock) komen uit het Germ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schok I (ruk). De zo voor de hand liggende combinatie met de groep van schaken II gaat vlot, wanneer men, met Güntert Abl. 83, in de u van germ. skuk- de voortzetting van een idg. reductievocaal (“schwa secundum”) ziet. Vgl. stok Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schok 1 m. (stoot), Mnl. scocke, Os. skocga + Ohd. scoc (Mhd. schoc), On. skykkr, misschien bij schaken 2. besproken. Hieruit Fr. choc en Eng. shock.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schok, sjok, zn.: schommel. Mnd. schucke ‘schommel’. Zie verder schokkelen.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schok, sjok schommel (Belgisch-Limburg). = mndd. schucke ‘id.’. ~ schokken, ~ eng. shock znw. ‘schok’. Klankvariant bij eng. shake ‘schudden, schokken’, ono. skaka ‘schudden’, mnl. schaken ‘roven’, met oorspr. bet. ‘snel bewegen’.
HCTD XXXIX 111-115

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schok der herkenning (vert. van Engels shock of recognition)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schok ‘(op)schudding’ -> Engels shock ‘botsing, hevige emotie, medische schok’ ; Duits Schock ‘door een plotselinge gebeurtenis losgemaakte geestelijke aandoening; acute bloedsomloopstoornis met onvoldoende zuurstoftoevoer naar belangrijke organen’ ; Deens chok ‘(op)schudding, herseninfarct’ ; Zweeds chock ‘(op)schudding’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans choc ‘botsing, klap, stoot; medische schok’; Portugees choque ‘botsing tussen twee lichamen in beweging of één lichaam in beweging en één in rust’ ; Bretons chaok ‘kauwen’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

De schok der herkenning [boektitel] (1959). De Nederlandse letterkundige H.A. Gomperts (1915-1998) publiceert in 1959 de essaybundel De schok der herkenning, waarvan de titel spreekwoordelijk is geworden. De titel refereert aan The Shock of Recognition van de Amerikaanse schrijver Edmund Wilson (1895-1972) uit 1943, die hem zelf ontleende aan een artikel van de eveneens Amerikaanse schrijver Herman Melville (1819-1891).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal