Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schok - in de uitdrukking uitgaan op de schok (op avontuur gaan)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schok3* in de uitdrukking uitgaan op de schok [op avontuur gaan, op kermissen reizen] {1926-1950} vgl. rotwelsch auf den Schuck gehen, waarin Schuck ‘jaarmarkt’ betekent.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schok, zn., op schok gaan, zijn: aan de zwier gaan, uitgaan, op stap gaan, zijn. Ook Vlaams. Bargoens op de schok ‘op goed geluk, op avontuur; op de pof’, op de schok gaan ‘uit bedelen gaan, op avontuur gaan’ < Pol. çegokken ‘goed geluk’ (Moormann). Ook Rotwelsch auf den Schuck gehen ‘naar de kermis, jaarmarkt gaan’. Endt ziet verband met schokken ‘geven, lenen’, vgl. dokken.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schok (B, G, W, ZO), zn. m., op schok gaan, zijn: aan de zwier gaan, uitgaan, op stap gaan, zijn. Bargoens op de schok 'op goed geluk, op avontuur; op de pof', op de schok gaan 'uit bedelen gaan, op avontuur gaan' < Pol. çegokken 'goed geluk' (Moormann). Ook Rotwelsch auf den Schuck gehen 'naar de kermis, jaarmarkt gaan'. Endt ziet verband met schokken 'geven, lenen', vgl. dokken.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schùkske (op een -) (op een) drafje (Brabant). Afl. bij schokken. Benoemingsmotief: ‘kleine schokkende beweging’.
WBD 619.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schok (D, K, O), zn. m., op schok gaan, zijn: aan de zwier gaan, zijn, uitgaan, op stap gaan, zijn. Bargoens op de schok ‘op goed geluk, op avontuur; op de pof’, op de schok gaan ‘uit bedelen gaan, op avontuur gaan’ < Pol. çegokken ‘goed geluk’ (Moormann). Ook Rotwelsch auf den Schuck gehen ‘naar de kermis, jaarmarkt gaan’. Endt ziet verband met schokken ‘geven, lenen’; vgl. dokken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal