Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schok - (getalmaat)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schok1* [getalmaat] {schock 1477} middelnederduits schok, oudsaksisch skok, middelhoogduits schoc, middelengels schokke (engels shock [groep schoven]), met voorgevoegde s naast middelnederlands hocke [hoop drogend graan], hoogduits Hocke, fries hok, middelengels hock; buiten het germ. litouws kaugė, kūgis, lets kaudze [hooimijt], oudpruisisch kugis [knop van zwaardgreep].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schok 2 znw. o. ‘getalmaat: zestigtal of twintigtal’, sedert Kiliaen, die het Sax. Sicamb. noemt, vgl. mnd. schok ‘hoop; 60-tal’, os. skok ‘60-tal’, mhd. schoc ‘hoop, 60-tal’ (nhd. schock), me. schokke ‘hoop hooi’ (ne. shock ‘12 tot 16 schoven’). — Zie verder: hok 2.

In de bet. van ‘groep van een aantal schoven is het met nnl. kolonisten naar enige plaatsen aan de Beneden-Wezer (Bremen en Rinteln) gekomen, vgl. Teuchert Sprachreste blz. 134-5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schok II (60-tal, 20-tal) znw. o., sedert de 16. eeuw, door Kil. “Sax. Sicamb.” gehoornd. Zie bij hok. Andere woorden, die eerst voor een onbepaalde, later voor een bepaalde hoeveelheid of massa of maat zijn gebruikt, zijn o.a. last, roede, snees, on. skor “400-tal” (zie schaar I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schok 2 o. (zestigtal), Os. skok + Mhd. schoc (Nhd. schock) = hoop, zestigtal, Meng. schokke (Eng. shock) = hoop schooven; wellicht is de s prothetisch, dan is ʼt verwant met Hgd. hocke + Lit. kugis = hooistapel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schok ‘telwoord: 60 (in houthandel), 20 (van eieren)’ -> Engels shock ‘partij van zestig stuks’; Engels † skoke ‘bepaalde hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skock ‘kudde’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schok* telwoord: 60 (in houthandel), 20 (van eieren) 1477 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal