Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoffie

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schoffie: schooier. Eigenlijk ‘straatjongen’. Van Cornelis Veth verscheen in 1940 ‘Schoffie’, een parodie op ‘Boefje’ van Brusse. In het hedendaagse wielermilieu kent men de bontkraagschoffies. Dit zijn renners met een jas met een bontkraag. Verder zijn ze te herkennen aan hun rare gedrag. De bontkraagschoffies zijn afkomstig uit Berkel. Baanschoffies zijn renners afkomstig van de piste.

Hij was een schoffie al jaren lang. Een schoffie met een vreemde illusie, een illusie die hem woedend maakte en wanhopig en verlegen en melancholisch en soms ook ellendig. (De Groene Amsterdammer, 27/01/1923)
‘’n Echt schoffie ben ik geworden’, dacht Bram. (Leonard Roggeveen, De ongeloofelijke avonturen van Bram Vingerling, 1927)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut