Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoffel - (tuingereedschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schoffel zn. ‘tuingereedschap’
Mnl. schuffel (oostelijk) ‘schop’ [15e eeuw; MNW], met nevenvorm scho(e)fel, schoefel in mystschofel ‘mestschop’ [ca. 1483; MNW mistscofel], spaeden off schoefelen [1464; MNW schoefel]; vnnl. schuffel (oostelijk), schoeffel, schuyffel ‘schop; spade’ [alle 1599; Kil.], schoffel ‘id.’ [1617; iWNT smeren], ‘tuingereedschap om onkruid mee te wieden’ in De Schoffel heeft geen' rust, daer is een eeuwigh leven Van wiejen [1651; iWNT overval].
Afleiding van de nultrap van de wortel van → schuiven ‘van zich af duwen’ met het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ila voor werktuignamen, zie → beitel. De letterlijke betekenis is dus eigenlijk ‘werktuig om iets voort te schuiven’. De fricatief werd in het Nederlands stemloos en gegemineerd, zoals wel vaker voor liquida en nasalen, bijv. in → bochel, → gaffel, → effen.
Os. skūfla, mnd. schüffel; ohd. scūfla, scūvala (nhd. Schaufel); nfri. skoffel (ook ‘schoffel’); oe. scofl (ne. shovel); ozw. skofl (nzw. skovel); alle ‘schop’; < pgm. *skub-lo, *skūb-lo-.
De vroegst geattesteerde betekenis in het Nederlands is ‘gereedschap om grond e.d. mee te verplaatsen’, oftewel ‘schop’. Deze komt nog steeds voor in sommige, vooral Zuid-Nederlandse dialecten en het is ook de algemene betekenis in de andere Germaanse talen. Hieruit is de huidige Nederlandse en Nederduitse betekenis ‘gereedschap om onkruid mee te wieden’ eenvoudig verklaarbaar wanneer men zich een kleiner en vooral scherper schepblad voorstelt. Er wordt soms onderscheid gemaakt tussen schoffel en hak, waarbij het snijblad van de gebruiker af, resp. naar hem toe is gericht.
schoffelen ww. ‘de schoffel hanteren’. Vnnl. schoffelen ‘onkruid verwijderen met een schoffel’ [1643; iWNT verval]. Afleiding van schoffel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoffel* [tuingereedschap] {schuffel [schop, spade] 1401-1500, schoffel 1651} oudsaksisch -skūfla, middelnederduits schuffele, oudhoogduits scūfla, oudengels scofl (engels shovel); van schuiven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoffel znw. v., mnl. (gron. 15de eeuw) schuffel, mnd. schuffele, oe. scofl (ne. shovel), nde. skovl, nzw. skovel < germ. *skǔflō, waarnaast abl. *skūflō in nnl. dial. achterh. schûfel ‘graanschoffel’, mnd. schūfle, schūfele, ohd. scūfla, scūvala (nhd. schaufel), ‘schoffel’, maar os. wind-skūfla ‘wan’. — Afl. van schuiven, met verscherping -ff- voor l (evenals in gaffel). — > ne. scuffle ‘landbouwwerktuig’ (sedert 1798; ook het ww. scuffle, sedert 1766, vgl. Bense 357).

Door nl. kolonisten is het woord naar Brandenburg overgebracht, waar het schuffel heet, vgl. Teuchert Sprachreste 246-7.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoffel znw., mnl. (gron. 15. eeuw) schuffel. = mnd. schuffele, ags. scofl v. (eng. shovel), zw. skofvel “schoffel”, uit *skuflô- of *skuƀlô-; met ablaut achterh. schûfel “graanschoffel”, ohd. scûvala, scûfla (nhd. schaufel), mnd. schûf(e)le v. “schoffel”, os. wind-skûfla v. “wan”. Bij schuiven. Voor de ff vgl. gaffel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schoffel. Adde: de. skovl ‘schoffel, schop’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoffel v., Mnl. scuffel, + Ags. scofl (Eng. shovel): afleid. met dimin. suffix van schuiven; daarnevens met û Os. skûfla, Ohd. scûvala (Mhd. schûvel, Nhd. schaufel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skoffel s.nw.
Tuingereedskap bestaande uit 'n skerp metaalblad met 'n steel waarmee onkruid afgesteek en die grond losgewoel word.
Uit Ndl. schoffel (Mnl. schuffel, *scoffel), 'n afleiding van schuiven (Mnl. scuven) 'skuif, skuifel'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1913).
Vgl. Eng. shovel (725 in die vorm scofl).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schoffel: werktuig om te schuiven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoffel ‘tuingereedschap’ -> Engels scuffle ‘tuingereedschap’; Duits dialect Schuffeln, Schüffel, Schöffel ‘gereedschap voor de boer’; Deens † skøffel ‘tuingereedschap’; Noors skyffel ‘tuingereedschap’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † scufflepelle ‘grote ijzeren spade’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoffel* tuingereedschap 1651 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut