Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoeien - (van schoenen voorzien; met een beschermende laag bekleden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schoeien ww. ‘van schoenen voorzien; met een beschermende laag bekleden’
Mnl. schoen ‘van schoenen voorzien’ [1240; Bern.], sc(h)oeyen, schoijen [1265-70; VMNW], scoihen [1285; VMNW], ook ‘bekleden met een beschermende laag hout of steen, beschoeiing aanbrengen’ in doe hy sinte Jacobs toren onder die cappe scoeyde ‘toen hij de Sint-Jakobstoren onder de kap van een beschermlaag voorzag’ [1432; MNW].
Afleiding van de oorspr. vorm schoe van → schoen, met invoeging van een overgangsklank /j/ voor de werkwoordelijke uitgang -en.
Mnd. schōen, schoien; ohd. scuohhen, scuohhōn (nhd. schuhen); oe. scōgean; on. skūa.
De overdrachtelijke betekenis ‘met een beschermende laag bekleden’ is vooral bekend in de afleiding beschoeiing ‘wand van hout of steen (meestal aan een waterkant), bestemd om grond tegen te houden’.
schoeisel zn. ‘voetbekleding’. Mnl. scoisel ‘id.’ [1348; MNW]. Afleiding van schoeien met het achtervoegsel → -sel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoeien* [van schoenen voorzien] {schoeyen 1265-1270} van schoen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoeien ww., mnl. scoeyen, scoyen, scoen, mnd. schōen, schoien, ohd. scuohhen, scuohhōn (nhd. schuhen) en ook oe. scōgean, on. skūa, afl. van germ. *skōha-, zie: schoen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoeien ww., mnl. scoeyen, scoyen, scoen. = ohd. scuohhen, -ôn (nhd. schuhen), mnd. schôen, schoien “schoeien”. Van germ. *skóχa- (zie schoen).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schoeien. Vgl. ook ags. scôgean, on. skûa ‘schoeien’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoeien o.w., Mnl. scoeien, denom. van schoe: z. schoen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoeien ‘van schoenen voorzien; oevers van een rechtopstaande wand voorzien tegen afkalving’ -> Sranantongo skui ‘van schoenen voorzien; oevers van een rechtopstaande wand voorzien tegen afkalving; schoeisel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoeien* van schoenen voorzien 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1354. Op dezelfde leest schoeien,

d.w.z. op dezelfde wijze inrichten of (indien men schoeien intransitief opvat) op dezelfde wijze ingericht zijn, van hetzelfde model zijn, overeenkomen (in aard en karakter); eene uitdr. ontleend aan het bedrijf van den schoenmaker, die voor een paar schoenen van gelijke grootte en vorm dezelfde leest (= vorm) gebruikt: mnl. over enen leest getogen sijnZie Tijdschrift XLI, 118.. Vgl. Sartorius II, 9, 26: Sy schoeyen al op eenen leest, de iis, qui similibus vitiis laborant, et improbitate pares sunt; II, 3, 95. Zie Huygens VI, 247; Brederoo III, 49; V. Moerk. 127; Vondel, Petrus en Pauwels, vs. 53; Zeeus, Ged. 393 en 405; Hooft, Ged. II, 299; I, 72 en 319:

Veelen die van Deughde schreeven.
Wischten 't ujt met strijdigh leeven.
Maer zijn letter en zijn geest
Schoeijen jujst op eene leest.

Zie verder Halma, 307: Zij schoeijen op eenen leest, zij komen wel overeen; Sewel, 442: Op een zelfde leest schoeijen, to be of the same opinion, to act in the same manner; schoeijen op een leest, een lyn trekken, to agree; Tuinman I, 166; Harreb. II, 14; Ndl. Wdb. VIII, 1358; XI, 241. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 807: Op denzelfden leest geschoeid zijn, van dezelfde meening zijn, gelijk handelen. Synonieme uitdrukkingen zijn op één steek schoeien (Sewel); op één vorm gieten (De Brune, Bank. 2, 300); op ééne mal (model) maken (Van Dale). Vgl. hd. über einen Leisten schlagen; eng. to make one shoe fit every foot.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut