Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schitteren - (blinken, gunstig opvallen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schitteren ww. ‘blinken, gunstig opvallen’
Vnnl. schitteren ‘blinken, gunstig opvallen’ in het harnasch, dat het niet soo en schitterde ‘het harnas, dat het niet zo blonk’ [1604; iWNT werk I], 's Uchtens gouden cruin in 't oosten schittert [1605; iWNT kruin].
Nevenvorm van de werkwoorden → schateren en → schetteren. De overgang van een woord voor geluiden tot een voor zichtbare indrukken is vergelijkbaar met die van de bijvoeglijke naamwoorden → hel 2 en → schel 2. Het is echter opvallend dat van schitteren ‘schetteren’ maar zeer weinig, en in elk geval geen vroegere attestaties bekend zijn. De oudste zijn vnnl. moet ic van lacchen schittren [ca. 1610; iWNT], Ik hoor den snaek hoe langs hoe herder schitt'ren ‘ik hoor de snaak hoe langer hoe harder schetteren’ [1651; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schitteren* [glinsteren] {1617} latere nevenvorm van schetteren; voor de betekenisovergangen tussen licht en klank vgl. hel3, schel3, en frans éclater.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schitteren ww. sedert begin 17de eeuw en verder alleen oostfri. Naast de klankwoorden schetteren en schateren; het vertoont dus de overgang van een woord voor geluiden tot een voor gezichtsindrukken, zoals wij die ook vinden bij woorden als hel en schel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schitteren ww., nog niet bij Kil. Een slechts ndl. en oostfri. ww. Een jongere ablautvorm bij ’t onomatop. gevoelde schateren, schetteren. Voor de bet. vgl. o.a. fr. éclater “barsten, afsplinteren, kraken, knallen, schitteren” en ndl. helle kleuren naast helle tonen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schitteren, reeds begin 17e eeuw, aanvankelijk ook in toepassing op geluiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schitteren o.w., + Oostfri. schittern: bijvorm van schateren; vergel. Fr. éclatant met éclater.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skitter ww.
1. Sterk, lewendige lig uitstraal. 2. Uitblink in 'n aktiwiteit.
Uit Ndl. schitteren (1617 in bet. 1). Ndl. schitteren is 'n latere wisselvorm van schetteren (1556) 'skater, raas' en beteken oorspr. 'skater, reeks herhalende geluide voortbring', vandaar die betekenisuitbreiding na 'sterk lig uitstraal wat lyk asof dit lewe'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

afwezigheid (vert. van Latijn absentia); (schitteren door --) (vert. van Frans briller par son absence)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schitteren (een echt Ned. woord), frequ. van schieten en bet. eig.: schielijk en met volle kracht losbarsten van tonen, ook van licht; vgl. schateren, schetteren, dit laatste vroeger ook van licht: „die de deughd doet glinsteren en tot in den hemel schetteren”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schitteren ‘glinsteren’ -> Fries skitterje ‘glinsteren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schitteren* glinsteren 1617 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

63. Schitteren door (zijn) afwezigheid,

d.i. ‘zich doen opmerken, de aandacht tot zich trekken, door niet te verschijnen, waar men met reden verwacht kon worden. Ook wel schertsend in 't algemeen gezegd voor afwezig zijn, doch altijd met het denkbeeld, dat het afzijn de aandacht trekt, in 't oog loopt’; Ndl. Wdb. I, 1880. Vertaling van het fr. briller par son absence. Tacitus, Annales 3, cap. 76 vertelt, dat toen onder de regeering van Tiberius, Junia, de vrouw van Cassius en de zuster van Brutus, stierf en zij met alle eer begraven werd, de beeltenissen harer voorvaderen voor den lijkstoet uit werden gedragen, sed praefulgebant Cassius atque Brutus eo ipso, quod effigies eorum non visebantur, wat M.J. Chénier (1764-1811) in zijne tragedie Tibère I, 1 aldus verhaalt:

 Devant l'urne funèbre on portait ses aïeux:
 Entre tous les héros qui, présents à nos yeux,
 Provoquaient la douleur et la reconnaissance,
 Brutus et Cassius brillaient par leur absence.

Zie Büchmann, bl. 283-284; hd. durch seine Abwesenheit glänzen; eng. to be conspicuous by one's absence.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut