Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schin - (huidschilfers)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schin* [huidschilfers] {1573 in de betekenis ‘hoofdroos’} van schinden, schinnen [villen, de huid afstropen, mishandelen, roven], hoogduits Schinn (vgl. schenden, schinde).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schin v., + Hgd. schinnen: afleid. van *schind, besproken bij schenden 2., dus = huiduitslag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schin, schim, schen schilfers van hoofdroos (Noordoost-Nederland, Veluwe). = hgd. schinne ‘hoofdroos’. ~ aan ono. skinn ‘huid’ ontleend eng. skin ‘huid’. Van een wortel die ‘afsplijten’ betekent en ook b.v. in lat. secare ‘snijden’ aanwezig is.
WALD 1993, 195, Ter Laan 793, Hadderingh/Veenstra 240, Kluge 650, Mulder 116.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut