Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schimmelen - (door schimmel aangetast zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schimmel 1 zn. ‘organisme behorend tot het rijk der Fungi
Mnl. scemmel ‘schimmel’ [1420-40; Van Sterkenburg 1975, 132], schymmel ‘id.’ [1477; Teuth.].
Herkomst onzeker, maar vermoedelijk een afleiding van de Germaanse wortel *skim- ‘lichtglans; schaduw’ van → schemeren. De schimmel zou genoemd zijn naar de doffe glans die een schimmellaag kan vertonen, of naar de witte kleur, vergelijk → kom. Zie ook → schimmel 2.
Mnd. schimmel; ohd. scimbal (nhd. Schimmel); alle ‘schimmel, meeldauw e.d.’, < pgm. *skimla-.
schimmelen ww. ‘met schimmel bedekt worden’. Mnl. Haer broot was seer ghescymmelt [ca. 1485; MNW]. Afleiding van schimmel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schimmelen ww., reeds later-mnl., mhd., mnd., al ohd. ar-, ir-scimpalan, -ôn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut