Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schimmel - (uitslag door vocht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schimmel 1 zn. ‘organisme behorend tot het rijk der Fungi
Mnl. scemmel ‘schimmel’ [1420-40; Van Sterkenburg 1975, 132], schymmel ‘id.’ [1477; Teuth.].
Herkomst onzeker, maar vermoedelijk een afleiding van de Germaanse wortel *skim- ‘lichtglans; schaduw’ van → schemeren. De schimmel zou genoemd zijn naar de doffe glans die een schimmellaag kan vertonen, of naar de witte kleur, vergelijk → kom. Zie ook → schimmel 2.
Mnd. schimmel; ohd. scimbal (nhd. Schimmel); alle ‘schimmel, meeldauw e.d.’, < pgm. *skimla-.
schimmelen ww. ‘met schimmel bedekt worden’. Mnl. Haer broot was seer ghescymmelt [ca. 1485; MNW]. Afleiding van schimmel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schimmel1* [uitslag door vocht] {schymmel 1477} middelnederduits schimmel, middelhoogduits schimel, van middelnederlands schime [schijnsel, glans, ook schijn, gedaante] (vgl. schim); de grondbetekenis is dus ‘het glanzende of wittige’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schimmel

Zoals roest oorspronkelijk betekent: het rode, zo betekent schimmel, dat verwant is met schemer, eigenlijk: het doffe. Schimmel is een laag witte of groenachtige plantjes die zich ontwikkelen op stoffen welke aan vocht zijn blootgesteld.

Het paard dat wij schimmel noemen, is een paard welks haren aan de einden wit zijn. Het is dus een schimmelkleurig paard. In het vroeger veel gespeelde klok-en-hamerspel komt een kaart voor waarop een schimmel staat afgebeeld. Vandaar dat men ook wel van schimmelen spreekt. Beets gebruikt in de Camera het woord schimmelhek voor: melkmuil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schimmel 1 znw. m. ‘plant’, mnl. scimmel ‘roest’, mnd. schimmel m. ohd. skimbli en scembel, mhd. schimel m. ‘schimmel, roest’ is een afl. van de stam *skima ‘glans’ (waarvoor zie: schemeren). De plantjes zijn dus genoemd naar de doffe glans van schimmel op vloeistoffen. De bet. ‘roest’ zal minder door de roodachtige kleur hiervan zijn te verklaren, dan wel wegens de gelijkenis van roestplekken op een voorwerp met schimmelvlekken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schimmel I (schimmelplantjes), mnl. scimmel m. “roest”. = ohd. skimbli naast scembel m., mhd. schimel m. “schimmel, roest” (nhd. schimmel), mnd. schimmel m. “id.”. Stam *skim-la-, waaruit in den nomin. enk. *skimal, -el, in de meersilbige casus skimbl- ontstond, waarnaast *skim-blia-. Oorspr. = “het glanzende, dofkleurige”: bij schemer. Vgl. voor de bet. roest, oorspr. = “het roode”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schimmel 1 v. (plant), Mnl. id. + Mhd. schimel (Nhd. schimmel): van denz. wortel als scheem, schim, dus het schemerende.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjummel (zn.) uitslag door vocht; Middelnederlands scemmel <1420-1440>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

schimmel. Haags is de vloek krijg de afgetrokken Spaanse schimmel! Vgl. Bral e.a. (1998). De letterlijke betekenis van schimmel is o.a. ‘wit of groenachtig beslag op organische stoffen in vochtige omgeving’. Slechts enkele schimmelsoorten kunnen bij de mens ziekten veroorzaken. Hoe dan ook, met krijg de schimmel! wenst men zijn opponent het nodige ongemak toe. De verwensing wordt versterkt door het bijvoeglijk naamwoord Spaans. Of wij bij Spaanse schimmel moeten denken aan een venerische ziekte, zoals in geval van Spaanse pokken, is de vraag. Het WNT geeft daarover geen uitsluitsel, maar geheel uitgesloten lijkt het mij niet. Over de emotionele betekenis van de verwensing hoeven wij niet in het duister te tasten. Die drukt verontwaardiging, ergernis en vergelijkbare emoties uit. De actuele betekenis is ‘rot op, mij kun je gestolen worden’.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

schimmel In 1839 gesignaleerd in Schiedam. Vervolgens dook deze borrelnaam in 1874 op in een verzameling spreekwoorden over drinken, drank en dronkenschap van P.J. Harrebomée. Harrebomée noemt hem in de uitdrukking hij berijdt zijn schimmel. Als toelichting geeft hij:

De witachtige uitslag van het brood, op het paard overgebracht, heeft wellicht de klare jenever zoo doen benoemen, in verband met het inrijden in de keel van den nathals.

Men kan echter ook denken aan de vochtige omgeving waarin schimmel gedijt — een naamgevingsmotief dat diverse borrelnamen opleverde. Een verband met het Bargoense schimmel ‘gelukkig toeval’ is chronologisch niet mogelijk, want dit is veel jonger.
Vergelijk kikvors.

[Herroem 4]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schimmel ‘uitslag door vocht’ -> Deens skimmel ‘uitslag door vocht’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skimmel ‘uitslag door vocht’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † skim ‘uitslag door vocht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schimmel* uitslag door vocht 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut