Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schillen - (van de schil ontdoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schil zn. ‘omhulsel, buitenste laag’
Mnl. schelle ‘schub’ [1240; Bern.], ‘omhulsel van een weekdier’ in jn scellen ligghe(n)de alse musselen ‘in schelpen liggende als mosselen’ [1287; VMNW], dat si vter scelle al crupen ‘dat ze (de slakken) alle uit hun huisje kruipen’ [1287; VMNW], ‘boomschors, huls van een noot e.d.; schil van een appel, peer e.d.’ in van sine scillen ‘van zijn schors’ [14e eeuw; MNW], dan breken alle die schellen metten nedervalle ‘dan breken alle notendoppen bij het op de grond vallen’ [1440-60; MNW-R], hi warp die scillen weder inder ryvieren ‘hij wierp de (appel)schillen weer in de rivier’ [1479-1517; MNW-P].
De klankwettige vorm is schel, met -e- uit Proto-Germaans -a- door i-umlaut, en zoals nog in Vlaams schelle. In sommige, vooral Hollandse, maar ook Zuid-Nederlandse dialecten, werd de umlauts-e voor -l- een i (Schönfeld, par. 39). De vorm schil werd uiteindelijk opgenomen in de standaardtaal.
Mnd. schelle ‘schil van een vrucht, eierschaal, vissenschub’; nfri. skyl ‘schil’, skil, skyl ‘schelpengruis’; oe. scel, sciell ‘schelp, eierschaal, schil, schild’ (ne. shell); on. skel ‘schelp’ (nno. skjel ‘schelp, mossel, schub’, nde. skael ‘schub’); got. skalja ‘dakpan’; < pgm. *skaljō- ‘omhulsel’. Ontleend door het Frans als écaille ‘schub’. Afleidingen van dezelfde wortel zijn: pgm. *skalō- ‘notendop e.d.’ en ablautend *skēlō- ‘drinkkom’, voor beide zie → schaal 1; en ablautend pgm. *skelja- ‘splitsing, verdeling’, zie → schelen en → verschil.
Verwant met: Grieks skállein ‘hakken’ (< ‘de grond splijten’); Litouws skélti ‘doen splijten’, skìlti ‘splijten’; Russisch skalá ‘rots’; Oudiers scoiltid ‘id.’; Armeens skalim ‘splijten, verscheuren’; Hittitisch iskalla- ‘id.’; < pie. *skel(H)-, *skol(H)-, *skl(H)- ‘klieven, snijden’ (LIV 552, 553), met laryngaal op grond van het Baltische accent en het Hittitisch.
De klankwettige vorm schel komt in de standaardtaal alleen nog voor in de uitdrukking de schellen vallen hem van de ogen, die gebaseerd is op een Bijbelpassage uit Handelingen 9, vers 18, waarin Saulus weer ziende wordt: ende ter stont vielt van sinen ooghen gelijc als visch scellen ende waert weder siende ‘en terstond viel 't (vlies) hem als visschubben van de ogen en (hij) werd weer ziende’ [1526; Liesveldt], ende terstont vielen af van sijne oogen gelijck als schellen [1637; Statenbijbel].
schillen ww. ‘van de schil ontdoen’. Mnl. schellen ‘ontdoen van schil of schors’ [1240; Bern.], sc(h)ellen, sc(h)illen ‘ontdoen van schors, schubben, schil enz.’ in Eene witte gheschelde roede ‘een witte, van bast ontdane stok’ [ca. 1470; MNW], Metten messe, daer hi den appel mede scillede ‘met het mes, waarmee hij de appel schilde’ [1480; MNW], cleen visschelkine die hem wel scellen ‘kleine visjes die zich goed laten ontschubben’ [15e eeuw; MNW]. Afleiding van schil.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schillen* [van de schil ontdoen] {schellen, schillen 1201-1250} van schil (vgl. schel2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schillen ww. naast dial. schellen, afl. van schel 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schillen ww., dial. ook schellen. Van schel I, schil. Een reeds mnl., mnd. ww.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schillen 1 o.w. (de schil afdoen), + Hgd. schälen: denom. van schel 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjèlle (ww.) schillen; Vreugmiddelnederlands schelden <1240>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schillen* van de schil ontdoen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

103. Een appeltje met iemand schillen (of te schillen hebben),

een netelige zaak met hem afhandelen, hem onderhouden over iets dat hem niet aangenaam zijn kan’; Ndl. Wdb. II, 552. Over het ontstaan van deze spreekwijze is veel geschreven, o.a. door Tuinman I, 110; Sprenger v. Eyk III, 20 en Van Moerkerken in Noord en Zuid XVII, bl. 189-190. Het komt mij voor, dat wij de beteekenis dezer zegswijze moeten verklaren door het ironisch gebruik. Evenals wij in ironischen zin zeggen: iemand een kool stoven (17de eeuw: een vijg koken), iemand van de taart, een oorvijg, een muilpeer, een beschuitje (= een kneep) geven, en een gebraden peertje (Tijdschrift XII, 239) ook de beteekenis van een hatelijk gezegde, een poets heeft, zoo heeft ook ‘een appeltje schillen met iemand’ de beteekenis gekregen van een onaangename zaak met iemand afhandelen. Steun vindt deze verklaring in de synonieme uitdrukkingen een eitje met iemand pellen (Harrebomée I, 178; Schuermans, 115; Waasch Idiot. 204 a; De Bo, 841; ‘met iemand een eitje pellen, te pellen hebben, met hem over een zaak handelen, over iets te spreken hebben, bezonderlijk met eenen tegenstrever’; met iemand een nootje te kraken hebben (Taalgids VIII, 108; Eckart, 392), 17de eeuw: een ui met iemand te schillen hebben, een hach(t)je met iemand kluiven, een zaak met hem uitvechten; Ndl. Wdb. V, 1508); Westerbaen, Boden - Brood, 15: Dit peultje sal ick hier nae met u schillen. Vgl. ook de hd. uitdr. einen Apfel mit jem. zu schälen haben (Wander I, 109; V, 1000); ein Ei mit jem. zu schälen haben (I, 760); mit jemand ein Hühnchen (oder ein Sträuszchen) zu rupfen haben, dat in Nederduitsche dialecten luidt: wi hebt nog een Höneken mit een ander to plükken; ik hef met di en Hönken to plükken; ick hähw noch en Hann má de tó plucken (Taalgids IV, 266). In het Friesch: ik hab in appeltsje mei dy to skilen (Dijkstra, 283); in het Engelsch: to have a bone to pick with any one; to have a crow to pluck with any one; to have a nut to crack with any one; in het Fransch: j'ai maille à partir avec vous; avoir des petits pois à écosser ensemble, ils ont eu maille à partir, zij hebben getwist. In denzelfden zin zegt men in het Zaansch: ik moet met hem an de kersen (Boekenoogen, 1325). Het eerste trof ik de uitdr. aan in de 18de eeuw bij Tuinman I, 110 en in Het Boere-krakeel, anno 1763, bl. 227:

Maer ik heb
 Ook nog ien Appeltje te schillen
 Mit jou, daer ik gien vermaek in schep.

In de 17de eeuw (anno 1680) komt evenwel reeds voor: Iets met iemand te schillen hebbenZie A. Peys, Gedwongen Huwelijck..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut