Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schilderen - (verven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schilder zn. ‘verver’
Mnl. als beroepsnaam van Gilis de scildere ‘Gillis de schilder’ [1270; VMNW].
Afleiding van → schild. Schilden werden ter herkenning voorzien van het wapen van de drager; degene die deze kleurrijke afbeeldingen aanbracht heette de schilder. Bij uitbreiding voorzag de schilder ook plafonds, muren, textiel e.d. van afbeeldingen.
schilderen ww. ‘verven’. Mnl. dat men die tafel des outers ... mit ... schilderen versieren zal ‘dat men de altaartafel versieren zal door hem te beschilderen’ [1485; MNW]. Afleiding van schilder. ♦ schilderij zn. ‘geschilderde voorstelling’. Mnl. schilderie, schilderye ‘schilderwerk’ in scilden ..., die verwapent zijn van scilderiën ‘schilden die met wapens beschilderd zijn’ [1424; MNW], Van dat der schilderye of pourtraicturen anghaen zoude ‘betreffende het schilderwerk’ [1500; MNW]; vnnl. ‘een geschilderde voorstelling op doek’ in om Schilderyen te verkoopen [1617; iWNT]. Afleiding van schilderen met het achtervoegsel → -erij. ♦ schilderachtig bn. ‘pittoresk; beeldend’. Vnnl. Schilderachtich ‘van de aard van een schilder’ [1604; iWNT], ‘gelijkend op het werk van een schilder, een bekoorlijk tafereel uitmakend, pittoresk’ in De gesichten (‘het uitzicht, de vergezichten’)... zijn op veel plaetsen seer schoon ende schilderachtigh [1688; iWNT]. Afleiding van schilder met het achtervoegsel → -achtig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schilderen1* [verven] {1485} iteratief van middelnederlands schilden [schilderen, afmalen] (vgl. schilder).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schilderen 1 ww. ‘verven’, laat-mnl. scilderen naast scilden mnd. schilderen, nhd. schildern.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schilderen 1 o.w. (verven), denom. van schild: de schilden waren bij de Germ. van oudsher met kleuren, enz. versierd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjèldere (ww.) schilderen; Middelnederlands schilderen <1485>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2skilder ww.
1. (ongewoon) Oppervlakke met verf bedek. 2. Met kwas en verf op doek of papier verbeeld. 3. Met woorde so beskryf dat dit 'n beeld soos 'n skildery oproep.
Uit Ndl. schilderen (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1567 in bet. 3), 'n afleiding van schilder 'skilder'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902), wsk. net in bet. 1.
D. schildern (17de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skilder I: s.nw. en ww., 1. vakman wat verfwerk doen, verwer; 2. kunstenaar wat skeppende kunswerk lewer; 3. (as ww.) die werk v. 1. en 2. beoefen; Ndl. schilder (Mnl. scilder, eint. “skildmaker” – skilders het vroeër dikw. wapens/skilde geskilder), hierby ww. Ndl. schilderen (Mnl. scilderen), Hd. (veral fig.) schildern.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schilderen (verven), frequ. van het denom. van schild, dat oorspr. met kleuren versierd was; oorspr. bet. schilderen dus: het schild verven; later meer algemeen: verven, in kleuren afmalen, schetsen, beschrijven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schilderen ‘verven; beschrijven’ -> Duits schildern ‘beschrijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens skildre ‘verven; beschrijven’ ; Zweeds skildra ‘beschrijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † skilder ‘verven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schilderen* verven 1485 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1459. Maling hebben aan iemand (of iets),

zich om iemand of iets niet bekommeren, om iemand of iets niet geven, iets niet willen doen. De uitdr. moet vergeleken worden met andere als: de pest aan iemand gezien hebben; ergens een puist aan hebben; het mier hebben aan iets; enz. Vgl. het vroegere den draai aan iets geven (of afhebben; zie no. 374 en Ndl. Wdb. III, 3189), iets niet willen doen, het verdraaien. Voor bewijsplaatsen zie Speenhoff III, 21:

Voor je me zei, dat jij me graag mocht lij'en,
Had ik nog maling aan m'n scheeve nek;
Ik dacht dat toch geen mensch met mij wou vrijen,
Want mooie meisjes zijn 't meest in trek.

Speenhoff, VI, 57: Gemeenteraadslid is een baantje, waar menigeen maling aan heeft; Jong. 200; Boefje, 50; Falkl. VI, 35; Lvl. 298; Jord. 192; Nkr. VII, 1 Febr. p. 2; 9 Juli p. 4; VIII, 9 Mei p. 2; Opprel, 71; Köster Henke, 43; enz. Hiernaast de zegsw. nou ook 'n maling!, mij een zorg (Slop, 212), mij een mik (Ppl. 25), syn. van dial. (Monnikendam) mij'n makkes, eig. slag, klap, last, onheil, wat er op wijst, dat we bij maling ook kunnen uitgaan van de bet. slag.Vgl. Köster Henke, 42; Kluge, Rotw. 403; 423; een losse maling, een draai om de ooren in Br. v. Abr. Bl. I, 73; fri. immen in maling jaen, iemand een oorveeg geven; Ndl. Wdb. IX, 150. Niet te vergelijken is de dial. zegsw. ik maal je wat! je kunt wat malen! d.i. ik fluit je wat, ik zal niet doen wat je wilt; nhd. lasz dir was malen, du kannst dir was malen lassen (auf Löschpapier); nd. hei kann sick wat malen laten, waarin malen schilderen beteekent (zie Woeste, 159; Seiler, 276; Eckart, 341; Grimm VI, 1503), zooals blijkt uit Tuinman I, 189: Men sal hem wat schilderen, hij zal niets krijgen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut