Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schild - (beschermingsplaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schild zn. ‘beschermingsplaat’
Onl. *skilt, schilt ‘schild, beschermingsplaat’ in thusent schilde hangent an thero were ande allerslachto wighwaphane ‘duizend schilden hangen aan die weergang en allerlei wapens’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sc(h)ilt, ook ‘schild van een dier’ in soe ... leghet tusschen .ij. starke scilde die hare gaf die nature ‘ze (de schildpad) bevindt zich tussen twee sterke schilden die de natuur haar gaf’ [1287; VMNW].
Os. skild (mnd. schilt); ohd. scilt (nhd. Schild); ofri. skeld (maar nfri. skyld o.i.v. het nnl.); oe. scield, sceld, scild (ne. shield); on. skjöldr (nzw. sköld); got. skildus; alle ‘schild, beschermingsplaat’, < pgm. *skeldu-.
Wrsch. een afleiding van de wortel pie. *skel(H)- ‘klieven, snijden’, zie → schil. Men veronderstelt dan meestal een oorspr. betekenis ‘afgeslagen stuk hout, plank’ en een rechtstreekse verwantschap met Litouws skìltis ‘schijf; snede; afdeling’, dat echter eerder een afleiding van skìlti ‘splijten’ is. Ook kan men uitgaan van de specifieke, vooral nominale betekenissen die deze wortel in het Germaans kreeg, namelijk ‘splitsing, verdeling’ en vandaar ‘afscheiding’ en ‘omhulling’. Het schild is immers bij uitstek een verdedigingsmiddel, dienend als afscheiding tussen vechter en vijand.
schildklier zn. ‘klier bij het strottenhoofd (glandula thyroidea)’. Nnl. schildkliergezwel [1847; Kramers thyreoptyma]. Samenstelling van schild en → klier, wrsch. als leenvertaling van het al eerder geattesteerde Duitse woord Schilddrüse ‘id.’ [ca. 1800; Pfeifer]. Het eerste lid verwijst naar de plaats van deze klier, direct achter het schildkraakbeen, het schildvormige kraakbeen aan de voorzijde van het strottenhoofd. De wetenschappelijke benaming betekent letterlijk ‘deurvormige klier’, bij Grieks thúrā ‘deur’. ♦ schildknaap zn. (historisch) ‘schilddrager van een ridder’. Mnl. elc sciltcnape thors ‘elke schildknaap te paard’ [1299; VMNW]. Samenstelling van schild en → knaap. Een schildknaap was de persoonlijke dienaar van een ridder en droeg zorg voor diens wapenuitrusting en paard. ♦ schildpad zn. ‘schilddragend reptiel van de orde Testudines’. Mnl. schiltped ‘id.’ [1477; Teuth.], sciltpadt ‘id.’ [1485; MNW]. Samenstelling van schild en → pad 2 ‘kikvorsachtig reptiel’; het eerste lid vanwege het karakteristieke pantser dat schildpadden dragen, het tweede lid wrsch. naar aanleiding van de vorm van de kop, zoals een vroeg citaat bij Van Maerlant reeds suggereert: hare houet es na die padde gedaen ‘hun kop lijkt op die van de pad’ [1287; VMNW]. ♦ schildwacht zn. ‘soldaat die op wacht staat’. Mnl. sc(h)iltwachte ‘het houden van de wacht door gewapenden’ in Buten houden si scilt wachte ‘buiten houden zij de wacht’ [1285; VMNW], ook ‘groep wachters die de wacht houden’ in Nachts hiet hi de sciltwachte bestaen ‘hij beval de groep wachters om 's nachts te blijven’ [1285; VMNW]; vnnl. schildwachte ook ‘een enkele persoon die op wacht staat’ [1599; Kil.]. Samenstelling van schild en → wacht ‘het waken’. De schildwacht had een verdedigingsfunctie en was o.a. gewapend met schilden. De betekenis ging later over op de groep personen en ten slotte op de enkele persoon die de wacht hield.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schild* [verdedigingswapen, plaat] {schilt, schelt 1220-1240} oudsaksisch skild, oudhoogduits scilt, oudengels scield, oudnoors skjǫldr, gotisch skildus; vgl. litouws skiltis [plak, schijf]; de oorspr. betekenis is ‘plank’; het woord komt van de stam met de betekenis ‘splijten’, die we ook in vinden in schel2, schil. Voor de betekenis ‘munt’ vgl. ecu1. De uitdrukking iets in zijn schild voeren [geheime oogmerken hebben] is gebaseerd op de gewoonte der ridders hun schilden te beschilderen met deviezen of zinnebeeldige voorstellingen. Men kon hen daaraan herkennen en dus zien of zij vijandige bedoelingen hadden; vgl. middelnederlands hi voerde in sinen schilde eenen leeu root. In het middelnl. betekende schild ook ‘voorwendsel, dekmantel’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schild znw. o., mnl. scilt m., os. skild, ohd. scilt (nhd. schild), ofri. skeld, oe. scield (ne. shield), on. skjǫldr, got. skildus < germ. *skeldu-. — lit. skìltis ‘schijf’. Dentaal-afl. van de idg. wt. *skel ‘splijten’, waarvoor zie: schel 1.

Het schild is dus genoemd naar de dunne gespleten latten, waaruit het samengesteld was en die door een metalen ring samengehouden werden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schild znw. o., mnl. scilt (d) m. = ohd. scilt (nhd. schild), os. skild, ofri. skeld, ags. scield (eng. shield), on. skjǫldr, got. skildus m. “schild”, germ. *skeldu-. De eenige plausibele hypothese gaat van een idg. grondvorm *sqel-tú- uit, een afl. van de basis sqel- “splijten, hakken” (zie schel I): de oorspr. bet. was dan “afgeslagen stuk hout”, en verwant is lit. skiltìs “afgesneden schijf”, misschien ook oi. kheṭa(ka)- “schild”. Vgl. voor de bet. nog oi. phálaka- “plank, lat, schild” bij phálati “hij barst, springt stuk”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schild. Te lezen: lit. skìltis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schild o., Mnl. scilt, Os. skild + Ohd. scilt (Mhd. schilt, Nhd. schild), Ags. scild (Eng. shield), Ofri. skeld, On. skjǫldr (Zw. skôld. De. skjold), Go. skildus + Lit. skiltis = afgesneden schijf: van denz. wortel als schel 2., schaal 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skild s.nw.
1. (histories) Hout-, metaal- of leerskyf vir verdediging in man-teen-man-gevegte. 2. (histories) Skyf deur ridders gedra met afbeelding van hulle heraldiese wapen. 3. Soort wedstrydtrofee.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. schild (al Mnl.). Bet. 3 is mntl. 'n leenbetekenis van Eng. shield (1868), of dit het in Afr. self ontwikkel, so genoem omdat die trofee dikw. die vorm van 'n skild (skild 2) het. Die oorspr. bet. in Mnl. was 'plank', en dit verwys na die planke wat in 'n metaalrand saamgevoeg is om die skild te maak. Die woord kom van dieselfde stam as schil 'skil' en splijten 'splits', mntl. 'n verwysing na 'n boomstomp wat gesplits is om planke te maak. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. schild uit 'n Germ. woord skelðu uit 'n Indo-Germaanse stam *skeltu- 'plat lat, plank'.
D. Schild.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schil (schel), van den Idg. wt. skel = splijten, afsnijden, afschilferen, dus het omhulsel, de bast wegnemen. Schil w.d.z. het afgeschilferde, het omhulsel. Men brengt er ook schild mee in verband, daar het oorspr. van boombast (houtschil) vervaardigd was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schild ‘verdedigingswapen, plaat’ -> Deens skilt ‘(verkeers)bord’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skilt ‘plaat, bord met informatie of reclame’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skylt ‘(uithang)bord’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † schilt ‘oude zilveren munt, daalder (met wapenschild erop)’; Negerhollands skild ‘verdedigingswapen, plaat’; Papiaments † schild ‘verdedigingswapen, plaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schild* verdedigingswapen, plaat 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1997. Iets in zijn (of het) schild voeren (of hebben),

d.w.z. iets van plan zijn, een geheim (meestal niet goed) oogmerk hebben, iets in zijn kraag hebben (Tuerlinckx, 342); wat in de musse hebben (Twente); hd. etwas im Schilde führen. De uitdr. komt in het mnl. niet voor; ze is opgeteekend in de 16de eeuw bij Campen, 3: wie weet wat hy in synen schilt voert, en wordt verder in de litteratuur der 17de eeuw herhaalde malen aangetroffen; zie Huygens VII, 273 en 201; P.C. Hooft, Warenar, vs. 1282; Pers, 11 b; 158 b; 198 b; Paffenr. 55; Antonides, Ystroom, 98; enz. Zij is ontleend aan de gewoonte der ridders om op hun schild de een of andere zinnebeeldige voorstelling of een devies te laten schilderen, waarmede zij wilden aanduiden, wie zij waren, waarnaar zij streefden, of tot welke partij zij behoorden, waaruit men kon opmaken of zij vriend of vijand waren, en dus welke plannen zij koesterden. Vgl. Lanc. III, 20683: Hi voerde ooc in sinen scilde enen leu die was root; Krul, Rosilion en Rosamire, 5:

Speurt den ridder na, den ridder Rosilion,
 Die door syn moedt, en kraght vaek leeuwen overwon,
 Dies voert hy in syn schilt een overwonnen leeuw.

Zie verder Tuinman I, 37; Sewel, 705; Halma, 568; Harreb. II, 248; Ndl. Wdb. XIV, 655; Het Volk, 3 April 1914, p. 2 k. 2: Gisteravond zijn de patroons uit den hoek gekomen, en is losgekomen, wat de heeren in hun schild voeren; Nkr. VII, 15 April p. 4; Afrik. hy voer iets in sy skild; fri. hwet yn yens skild fiere; Wander IV, 178; Grimm IX, 120-121; vgl. het mnl. sinen scilt keren, van gedrag, van houding veranderen, en de syn. uitdr. iets in zijn vlag voeren (Van Lennep, 246).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut