Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schil - (omhulsel, buitenste laag)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schel2* [schil] {scelle, scille 1285} middelnederduits schelle, oudengels sciell (engels shell), oudnoors skel [schelp], gotisch skalja [dakpan], behoort bij middelnederlands schellen [splijten, openbreken, weerklinken, schallen], ablautend schallen, oudhoogduits scellan [in stukken geslagen worden] (hoogduits zerschellen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schel 1, schil znw. v.,‘schil, dop’, mnl. scelle, scille v. ‘schub, schelp, schaal, bast, schors, huls, vlies, schilfer; mnd. schelle v. ‘schub, schelp, schaal’, oe. sciell ‘schub, schelp, schaal’ (ne. shell), on. skel v. ‘schaal, schil’, got. skalja ‘tegel’ < germ. *skaljō. — Bij de idg. wt. *skel ‘snijden’, vgl. gr. skallō ‘hakken, omwoelen’, miers scailim ‘verstrooien’, scailt ‘spleet’, scelléc ‘rots’, osl. skala ‘steen, rots’, skolĭka ‘schelp’, lit. skeliù, skelti, lett. škelt ‘splijten’ (IEW 923-927). — Zie: schaal, schol 1 en school 2.

Van de idg. wt *(s)kel zijn behalve schelen de volgende afl. te noemen:
met dentaal zie: schild
met labiaal zie: schelp, schelf en half
met gutturaal zie: schalk 2
met m zie: schalm en halm
*sklei zie: slijten.
De nu algemene vorm schil zal men wel als een secundaire dial. ontwikkeling uit schel moeten opvatten (evenals bil naast bal 1). Dial. is de vorm met e normaal, schil vindt men o.a. op Goeree en Beierland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schel I (schil, dop), gew. schil, mnl. scelle, scille v. “schub, schelp, schaal, bast, schors, huls, vlies, schilfer”. Scille is wsch. identisch met scelle en op een deel van ’t ndl. gebied daaruit ontstaan (vgl. bil bij bal I). De meeste nnl. diall. hebben schel(); schillǝ o.a. op Goeree en Beierland. = mnd. schelle v. “schub, schelp, schaal (van een vrucht, ei, schaaldier)”, ags. sciell v. “id.” (eng. shell), on. skel v. “schelp”, got. skalja v. “dakpan”. Uit dit germ. woord fr. écaille “schub, schelp, scherf, schilfer” (> ndl. schalie), evenals schaal I, schalm(?), schild, schol I, school II en got. skilja m. “slager”, on. skilja “scheiden, onderscheiden” (of bij schelen?) verwant met nier. scoiltim “ik splijt”, gr. skállō “ik hak, woel om”, ksl. skala “steen, rots”, skolĭka “schelp”, lit. skeliù, skélti “splijten”, alb. hałɛ, haľɛ “schub”, arm. c̟elum, “ik splijt”, zonder s- misschien obg. kolją, klati “steken, slachten” (een meer wsch. combinatie hiervoor zie bij schelden), oi. kâṇá- “doorboord, eenoogig”, kaṇaka-, kaṇabha- “steekvlieg”, misschien ook lat. culex, ier. cuil “mug”, misschien ook oi. kalṓ- “klein deel” e.a. Zie nog hulst en slijten, slip.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schel I (schil). Arm. c̣elum ‘ik splijt’ wijst op sḱ-, wat echter geen reden is om met Petersson Ar. u. arm. St. 122 het woord van deze groep te scheiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schel 2 v. (schil, huls), Mnl. schelle + Ags. sciell (Eng. shell), On. skel, Go. skalja: afleid. van denz. stam als schaal 2. Uit het Germ. komt Fr. écaille. - De schellen vallen van de oogen naar Handel. IX, 18.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjèl (zn.) schil; Vreugmiddelnederlands scille <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2skel s.nw. (verouderd)
Skil, vlies oor die oog.
Uit Ndl. schel (Mnl. schelle), 'n wisselvorm van skil (Mnl. scelle, scille).
Ndl. schel gaan naas Middelnederduits schelle, Oudengels sciell, Oudnoors skel 'skulp' en Goties skalja 'dakpan' terug op 'n Indo-Germaanse wortel skel- 'splyt'.
Eng. shell (725).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De schellen vallen hem van de ogen, hij ziet plotseling in, wat hij eerder niet begreep.

Saulus, die de christenen fel vervolgde, zag op weg naar Damascus een fel licht en hoorde hoe een stem hem vroeg waarom hij hem vervolgde. Saulus werd blind; toen een paar dagen later Ananias, een discipel van Jezus, de handen op Saulus' ogen legde, werd hij genezen: 'Meteen was het alsof er schellen van Saulus' ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen' (Handelingen 9:18, NBV). De NBG-vertaling spreekt hier van schubben.) Daarna nam Saulus de naam Paulus aan. In het relaas van Paulus valt het weer kunnen zien samen met zijn nieuwe geestelijke inzicht, en dat gegeven heeft geleid tot de figuurlijke betekenis van de uitdrukking. Ze is zeer gewoon geworden in het hedendaags Nederlands.

Leuvense Bijbel (1548), Handelingen 9:18. Ende ter stont sijn van sijnen ooghen gheuallen als scellen.
Het was net alsof de schellen hem van de ogen waren gevallen, hij zag de werkelijkheid zoals die was en hij schaamde zich. (H. Thijssing-Boer, Liselore Langeveld, 1991, p. 27)
Beppie vecht om Rina te overtuigen dat zij en Joop zijn veranderd. De schellen zijn van hun ogen gevallen. (J. Burgers-Drost, Liefhebben is thuiskomen, 1994, p. 98)
Hem heeft het een heel mensenleven van studie, nadenken en meemaken gekost, voordat de meeste schellen hem van de ogen vielen -- misschien nog lang niet alle -- [...] (A. Helman, De folteringen van Eldorado, 1983, p. 8)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schil (schel), van den Idg. wt. skel = splijten, afsnijden, afschilferen, dus het omhulsel, de bast wegnemen. Schil w.d.z. het afgeschilferde, het omhulsel. Men brengt er ook schild mee in verband, daar het oorspr. van boombast (houtschil) vervaardigd was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schil ‘buitenste bekleding van een vrucht’ -> Negerhollands skel ‘kaf, schelp; buitenste bekleding van verschillende zaken uit het planten- en dierenrijk’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1985. De schellen (of schillen) vallen hem van de oogen.

Deze uitdr. is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Hand. IX, 18: ‘Terstont vielen af van sijne oogen gelijck als schellen, ende hy wiert terstont wederom siende’, d.i. hij (Saulus) had een gevoel alsof er een vlies van zijne oogen afviel, wat in werkelijkheid natuurlijk niet kan gebeuren. Met verwaarloozing van de woorden gelijck als gebruikt men bovengenoemde zegswijze in den zin van: de verblinding houdt op: iemand ziet thans duidelijk in, wat hij te voren niet begreep; Zeeman 399. Vandaar ook: iemand de schellen van de oogen (af)lichten, iemand iets doen inzien; zie Interest, 255; Huygens, Hofw. vs. 620 en vgl. Gew. Weeuw. I, 41; Brederoo, I, 105: Nadien my de vliesen van die verwaantheyt zyn afgedaan.... hebbe ick (dan te laat) bevroet, dat ick in myn vernuft met blinde streecken schermutselde; Van Effen, Spect. VI, 199: Iemand de vliezen van de oogen lichten; Vondel II, 569: Gods suy'vre vinger treckt de schubben van uw oogen; Pers, 6 a: Soo dat hier door veeler donckere vliesen van de oogen begosten af te vallen. Zie het Ndl. Wdb. X, 2256; XIV, 374 en Sewel, 33. In 't fri.: de skillen falle him fen 'e eagen; in het Bredaasch: iemand de oogen schellen, d.i. de schellen van de oogen lichten (Hoeufft, 516); Twente: de döppe valt hem van de oagen. Vgl. fr. les écailles lui sont tombées des yeux; hd. es fällt ihm wie Schuppen von den Augen; die Schuppen sind ihm von den Augen gefallen; eng. the scales are fallen from his eyes; fri. de skillen falle him fen de eagenG.S. Overdiep meent, dat de uitdr. overdrachtelijk is ontwikkeld uit: ‘hij wordt van de staar gelicht’ (stelling 24 zijner dissertatie: De Vormen van het Aoristisch Praeteritum in de Mnl. epische poëzie)..

1985. De schellen (of schillen) vallen hem van de oogen.

Deze uitdr. is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Hand. IX, 18: ‘Terstont vielen af van sijne oogen gelijck als schellen, ende hy wiert terstont wederom siende’, d.i. hij (Saulus) had een gevoel alsof er een vlies van zijne oogen afviel, wat in werkelijkheid natuurlijk niet kan gebeuren. Met verwaarloozing van de woorden gelijck als gebruikt men bovengenoemde zegswijze in den zin van: de verblinding houdt op: iemand ziet thans duidelijk in, wat hij te voren niet begreep; Zeeman 399. Vandaar ook: iemand de schellen van de oogen (af)lichten, iemand iets doen inzien; zie Interest, 255; Huygens, Hofw. vs. 620 en vgl. Gew. Weeuw. I, 41; Brederoo, I, 105: Nadien my de vliesen van die verwaantheyt zyn afgedaan.... hebbe ick (dan te laat) bevroet, dat ick in myn vernuft met blinde streecken schermutselde; Van Effen, Spect. VI, 199: Iemand de vliezen van de oogen lichten; Vondel II, 569: Gods suy'vre vinger treckt de schubben van uw oogen; Pers, 6 a: Soo dat hier door veeler donckere vliesen van de oogen begosten af te vallen. Zie het Ndl. Wdb. X, 2256; XIV, 374 en Sewel, 33. In 't fri.: de skillen falle him fen 'e eagen; in het Bredaasch: iemand de oogen schellen, d.i. de schellen van de oogen lichten (Hoeufft, 516); Twente: de döppe valt hem van de oagen. Vgl. fr. les écailles lui sont tombées des yeux; hd. es fällt ihm wie Schuppen von den Augen; die Schuppen sind ihm von den Augen gefallen; eng. the scales are fallen from his eyes; fri. de skillen falle him fen de eagenG.S. Overdiep meent, dat de uitdr. overdrachtelijk is ontwikkeld uit: ‘hij wordt van de staar gelicht’ (stelling 24 zijner dissertatie: De Vormen van het Aoristisch Praeteritum in de Mnl. epische poëzie)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut