Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schik - (pret, prettig gevoel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schik zn. ‘pret, prettig gevoel’
Vnnl. schick o.a. ‘orde’ in sonder maet of schick ‘zonder regelmaat of orde’ [1590-99; iWNT], ‘beschikking, beslissing’ in der Goden schick [ca. 1600; iWNT], ‘behoorlijkheid’ in dat dese sijne vryagie buyten allen schick stont ‘dat deze vrijage van hem alle perken te buiten ging’ [1605; iWNT], met schick ‘met fatsoen’ [1666; iWNT]; nnl. schik ‘behaaglijk gevoel, pret’ in hebben er zo een schik in ‘hebben er zo'n plezier in’ [1787; iWNT jan].
Afleiding van → schikken.
Aanvankelijk kwam het woord in vele met het werkwoord overeenkomende betekenissen voor, maar tegenwoordig vrijwel uitsluitend nog in de combinatie schik hebben (in iets) ‘(ergens) plezier of een goed gevoel om hebben’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schik* [pret] {schick [iets behoorlijks] 1561; in de betekenis ‘schikking’ 1566; de betekenis ‘orde’ ca. 1600; de huidige betekenis pas 1802} van schikken.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schik

Het werkwoord schikken heeft allerlei betekenissen die draaien om het begrip: regelen, inrichten, aanleggen, bedisselen. In overeenstemming daarmee is de eigenlijke betekenis van het zelfstandige naamwoord schik: ordening, regeling, overeenstemming, orde. Ook voor: behoorlijkheid, fatsoen kwam het woord voor. Om de open haard in Oom Stastoks kamer konden met schik stoelen geplaatst worden. Vandaar dat schik ging betekenen: behaaglijk gevoel, genoeglijke stemming en zo ontstonden de zegswijzen: schik hebben, plezier hebben en: in zijn schik zijn: prettig gestemd zijn, blij zijn met iets. Men zegt: zij was zeer in haar schik met dat aardige geschenk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schik znw. m., sedert Kiliaen ‘orde, inrichting’, mnd. schick m. ‘vorm, goede toestand., mhd. schic m. ‘plaats waar men iets zet of heenzendt’ (nhd. schick m. ‘betamelijkheid, fatsoen, manier’). — Verbaalnomen van schikken. — De bet. ‘aangename stemming’ is eerst na Kiliaen opgekomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schik znw., sedert Kil., die nog niet de bet. “aangename stemming” kent, alleen “orde, inrichting” e.dgl. = mhd. schic (ck) m. “plaats waar men iets zet of heenzendt” (nhd. schick m. “betamelijkheid” enz.), mnd. schik (m.? ck) “vorm, goede toestand”. Evenals ’t bnw. schikkelijk, dat reeds laat-mnl., mhd. (md.), mnd. en in den Teuth. voorkomt, van ’t ww. schikken, mnl. scicken “ordenen, voegen, tot stand brengen, bestemmen, zenden”, = mhd., mnd. schicken “ordenen, gereed maken, volvoeren, richten, zenden” (nhd. schicken); owfri. schicken “schikken” is ontleend. Wij kunnen, zooals gew. gebeurt, van germ. *skikkianan < *skekkianan uitgaan, kk uit idg. qn verklaren en de woordfamilie van geschieden combineeren: de oorspr. bet. was dan “voortbewegen” of “doen gebeuren”; voor den vorm vgl. bikken. Ook zouden we van germ. * skikkô- kunnen uitgaan, kk uit idg. ghn verklaren en russ. sigáť “springen”, oi. çîghrá- “snel” vergelijken: de idg. wortel was dan (s)ḱī̆gh- “(zich) vlug bewegen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schik, reeds oostmnl. schick (m.?) ‘houding’: Verdenius Tschr. 42, 134. Over germ. kk < idg. qn of ghn zie bakken Suppl. 1e alin. Uit het Du.-Ndl. fr. chic (zie sjiek).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skik I: genoeë, tevredenheid, vreugde; Ndl. schik, wsk. deverb. s.nw. v. ww. schikken (Mnl. scicken), kous. v. (ge)schieden, met Ndl. schikken hou ook Afr. ww. skik, bv. “rangskik”, verb.; by vRieb (berig v. Van Meerhoff) schichen in bet. “aanpas” (aangepas by Hd. schicken?).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schik ‘pret; (verouderd) orde, regel’ -> Deens skik ‘gebruik, orde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skick ‘staat, toestand, gebruik, gewoonte’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schik* pret 1802 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1201. Hij is in zijn knollentuin

of in zijn knollen (o.a. in Boefje, 11; 196; 218; Landl. 246), d.w.z. hij heeft het recht naar zijn zin, is in zijn schik; oorspr. zeker van een haas gezegd, die zich te goed kan doen aan het lof van knollen, die in zijn ‘knolleland’ zit. De uitdr. is aangetroffen in de 17de eeuw in de Tien Vermakelikheden des Houwelyks, anno 1678, bl. 138: Niemant vergeet u toe te wenschen dat gy toekomende jaar een dochter by uw zoon, of een zoon by uw dochter moogt hebben, meynende dat het spul dan volmaakt, en gy geweldig in uw knoltuyn zijn zoudt; zie ook Gew. Weeuw. III, 69; Harreb. I, 421; Nkr. I, 23 Juni p. 2; III, 13 Juni p. 2; VI, 24 Febr. p. 2; 21 Dec. p. 2. In de Br. v. Abr. Bl. I, 44; 64; 128; C. Wildsch. II, 155; III, 25; VI, 97, enz. komt voor in zijn tuin zijn. Te vergelijken zijn uitdrukkingen als: hij is nu recht op syn koeweyde (Campen, 122; Coornhert, Van den thien Maeghden, fol. 471); Sart. II, 6, 33: hier is hy in gras-duynen; hier is hy in zyn schick, in syn koewey, oorspr. natuurlijk van eene koe gezegd; in zijn veld zijn (Tuinman I, 241); op de deune zijn (Twente); in zijn hof zijn (Harreb. I, 313); op zijn dreef zijn (zie no. 489); op zijn oude doft (= roeibank) zijn; hij is in zijn bouw; fri.: hy is yn syn bou (bouwland) of yn syn kouwefinnen (veeweiden); uit zijn loef (eig. dol van een roeiriem) zijn, niet in zijn schik zijn (Schuerm. Bijv. 188); hij is in zijn klavergers (De Bo, 527; Schuerm. 247 b); in zijn weêre zijn (De Bo, 1375); op z'n kantoor zijn (Onze Volkstaal I, 37; Sart. I, 7, 57 en vgl. C. Wildschut I, 47: op zijn comptoir zijn) en het Zaansche op zijn raap zijn, in zijn polder zijn en weer op de klaver zijn (Boekenoogen, 804 en 441), hersteld zijn na eene ziekte; op zijn akkertje zijn (in Jord. 307); in zijn folion zijn (S. en S. 31); vgl. het eng. to be or live in clover, in gelukkige omstandigheden verkeeren, in weelde leven. In het Latijn zeide men in arena sua esse (vgl. o.a. Sart. III, 7, 40).

1996. In zijn schik zijn,

d.w.z. opgeruimd, blij, in zijn nopjes zijn, in zijn sas zijn, opgezet zijn met iets, zooals men in Zuid-Nederland zegt. Het znw. schik, afgeleid van het wkw. schikken, voegen, passen, ordenen, bet. eig. ordeKil.: Schick, dispositio, ordo, accommodatio; Plantijn: sonder schick, sans ordre. (vgl. fri.: hy is der mei yn oarder, in zijn schik), zoodat in zijn schik zijn eig. wil zeggen: goed in elkaar gevoegd, in orde zijn, zijn zooals het behoort, in welken zin het voorkomt bij Hooft, Ged. I, 102; Tac. Jaarb. 260, en thans nog dialectisch gebruikt wordt; vgl. Ten Doornk. Koolman III, 121 a: dat is nêt in de schik (niet in orde); Rutten, 201: van schik, gelijk het behoort; Tuerlinckx, 552: iemand van schik, een deftige persoon; iet van schik, iets fatsoenlijks; Waasch Idiot. 577 b: schik noch voeg hebben, van een kleed dat hoegenaamd niet past; geenen schik hebben (Antw. Idiot. 1078); fri. in ding sonder skik of fatsoen, onbehaaglijk van vorm; Molema, 365: schik, goede vorm; schiks halven, welstaanshalve; met schik, met fatsoen. Vandaar toegepast op iemands gemoedstoestand: goed, aangenaam, prettig gestemd zijn (mnl. in sijn gevoechMnl. Wdb. II, 1819., in welke bet. we het lezen bij Sart. II, 6, 33: Hier is hy in gras-duynen; hier is hy in sijn schik; Brederoo III, 397, vs. 19; 402, vs. 18; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1146; Geboorteklock, 735; Virg. I, 182; II, 22; 55; 102; Joannes de Boetgezant V, vs. 610:

 Zy schaft het juichende haer' vader op den disch,
 Voor koningklijck bancket, en zet zich aen de zijde
 Van moeder, in haer schick, en noit voorheen zoo blijde.

Sewel, 704: Alles is op zynen schik, all is in orderVgl. Brederoo III, 68, vs. 1702: Het lustich lyf wel op syn dreef en schick.; in zynen schik zyn, to be very well pleased; Eckart, 456: 't is in schick (in ordnung); to schick kâmen, zustande kommen; ik bin nich recht upp'n Schick, nicht recht gesund; enz.; fri. yn (of op) syn (of 't) skik wêze; hy hat skik yn 't libben, hij heeft plezier in het leven, is opgeruimd van aard; Afrik. baie in sy skik met iets wees. Dial. beteekend schik hebben, tieren, goed kunnen aarden (V.d. Water, 128); vgl. Gunnink, 200: schik, plezier, deeg; evenzoo V. Schothorst, 195.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut