Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schijt - (in pejoratieve samenstellingen)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schijtbak: bangerik; lafaard; maar ook: klootzak*.

… en dat soort figuren noemen wij dan bijgoochemers, zogenaamde vlotte binken, die effe met de penoze willen meedoen, schijtbakken zijn het. (Haring Arie, De Sarkast, 1990)
Een van die jongens ken ik al vijftien jaar. Als ik die tegenkom zeg ik gewoon: zo schijtbak, ben jij er ook weer? (Trouw, 01/10/1993)
Ze kijkt haar overbuurman aan, maar die kijkt nu weg. ‘Schijtbak,’ moppert ze. (Nieuwe Revu, 05/05/2004)

schijtbroek: lafaard; bangerik. Zinspeelt op de snelle stoelgang bij angst. Zie ook platbroek*.

‘Ja, loeder,’ herhaalde ze met ironisch imiterende stem, ‘daar hebbe we t nog wel ’s over, schijtbroek.’ (Simon Vestdijk, Op afbetaling, 1952)
Schijtebroeken, bang voor bonje. (Remco Campert, Tjeempie! of Liesje in Luiletterland, 1968)

schijtemmer, schijthuis: prostituee; ook meer algemeen voor een (ontuchtige) vrouw. Variant op kakhuis*. Omdat iedereen erop gaat. Er wordt geassocieerd met een openbare gelegenheid (toilet). In deze betekenis reeds bij Henke. Schijthuis* kan echter ook op ‘een lafaard’ slaan.

Hoer, stinkende hoer, schijthuis … schijthuis, want een hoer is een schijthuis of een pisbak, omdat iedereen d’r opgaat. (Henri Hartog, Sjofelen, 1904)
Hou je smoel, schijtemmer. (Herman Heijermans, Diamantstad, 1904)

schijtmelochem: (Bargoens) verachtelijk persoon. Eigenlijk: stuk stront.

(Mie) Nou moetje eens hore mense, wat me zuster doet kan ik toch niet helpe – algemene instemming – maar die schijtmelochem, die vuile konkel durft alles maar te zegge. Mot ik is zegge wat jij bent! Een echte slons. (Wout Bodrij, Een stem uit de achterbuurt, 1980)

schijtpot: (in Vlaanderen) ellendeling; nietsnut.

Ik zou zoo iets niet willen lijden van dien schijtpot. (L.-L. de Bo, Westvlaamsch Idioticon, 1873)

schijtvenijn: (gewestelijk) bits meisje. Reeds opgetekend bij Bredero: ‘Gy schyt-venyntje, gy Monsterinnetje, gy Schorpioentje, Gy Nacht-merytje, gy Grasduyveltje, gy Griffioentje.’

schijtvink: (Bargoens) bang iemand; lafaard. Reeds bij Van Bolhuis. Syn.: hazenhart*; kakkebroek*.

schijtvlieg: (soldatentaal) iemand die de stad ingaat om ergens te praten en koffie te krijgen. Vermeld door Van Ginneken.

schijthiel, schijthuis, schijtlaars, schijtlijster, schijtluis, schijtlul: bang, laf persoon. Er bestaan talrijke varianten: schijteend, schijthaas, schijtekster enz. Bij de marine wordt de schoonmaker der toiletten vaak spottend paai schijthuis genoemd. De laars als tweede lid is wellicht een eufemisme voor aars. Bij schijthiel moet dan weer gedacht worden aan een gezwel aan de hak van de achterbenen van een paard. Later zou dit dan geassocieerd zijn met ‘van angst op de hielen kakken’.

De schijtlijster het ’et lef niet om d’r mee voor de draad te komme. (A.M. de Jong, Notities van een landstormman, 1917)
Sien jullie dat schaithuis? Te beroert om te knokke! (Simon Vestdijk, Terug tot Ina Damman, 1934, 24e druk, 1994)
Wat een schijtluizen zijn jullie! (H. van Aalst, Onder martieners en bietsers, 1946)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

schijtgroen. De Franse benaming voor een groengele verfstof is stil-de-grain. De herkomst van dit woord is niet op het eerste gezicht duidelijk. De oudste vorm van dit woord, uit 1664, luidde stil de grun. Hierin is het Nederlandse woord groen herkenbaar. Het eerste deel van het woord, stil de, is een vervorming van het platte Nederlandse schijt-. Stil-de-grain was dus oorspronkelijk de groenige kleur van uitwerpselen. Hoewel het Nederlandse woord schijtgroen niet vermeld staat in het WNT of in de Grote Van Dale, wordt het op internetfora regelmatig gebruikt ('een schijtgroen blaadje, schijtgroene lak').

Ook in het Engels is het Nederlandse onwelvoeglijke woord schijt in kleine kring wel bekend of bekend geweest. Zo kende men in de zeventiende eeuw de skitterbrook, de lafaard wiens naam teruggaat op het Nederlandse schijtebroek. Een recenter woord vermeldt een informant:

In Stokes-on-Trent en Londen heb ik het woord schijtlijster gehoord. Zeker vijf mensen gebruikten dit woord onafhankelijk van elkaar, en ik weet van één man dat hij het zowel in de jaren tachtig als omstreeks het jaar 2000 zei. De mensen zeiden dingen als: 'He is a real schijtlijster.' Het gebruik van dit woord moet teruggaan op het 'beestenkwartet' van Peter Vos. Ik heb dit kwartet een paar keer aan buitenlandse gezinnen cadeau gedaan, en jaren later bleek de sjaitlaister onderdeel te zijn van de woordenschat van alle leden uit die gezinnen. Vreemd genoeg is de schijtlijster het enige dier van het beestenkwartet dat het gesproken Engels heeft gehaald.

Het 'beestenkwartet' van Peter Vos kreeg inderdaad begin jaren zeventig grote bekendheid in Nederland en daarbuiten. Voor de jeugdige lezers: het spel bestond uit twaalf kwartetten, namelijk Sloddervos, Mafkikker, Kamerolifant, Klavierleeuw, Landrot, Huismus, Belhamel, Schijtlijster, Werkezel, Snotaap, Kloothommel en Luistervink. Deze namen, die allemaal in een typering of scheldwoord voorkwamen, waren steeds op iedere kaart van het kwartet gedrukt. De schijtlijster stond voor de bangerik, iemand die van angst in z'n broek schijt; lijster waarschijnlijk vanwege het rijm. De vier kaarten van elk kwartet zijn steeds: hoofd, buik, benen en voeten. Leg je die kaarten onder elkaar, dan heb je het complete dier - dat dan de handeling verricht die in zijn naam staat. Dus de schijtlijster schijt echt, de snotaap is een aap met een snottebel, enz. Het hoofd is steeds dierlijk, de andere lichaamsdelen zijn menselijk. Op 'benen' van de Schijtlijster is de ontlasting uit een menselijk achterwerk op weg naar de po die op 'voeten' tussen twee menselijke voeten is geplaatst.

Interessant is dat het woord schijtlijster op internet opgenomen is in de zogenoemde Urban Dictionary, een 'slang dictionary with your definitions'. Lezers worden nadrukkelijk uitgenodigd een bijdrage aan dit woordenboek te leveren. Het woordenboek is geheel Engelstalig, maar desondanks is schijtlijster als ingang opgenomen; dit suggereert dat de hierboven geciteerde informant gelijk heeft dat het woord in Engeland een zekere verbreiding heeft gekregen. De omschrijvingen van schijtlijster in het woordenboek zijn 'the coolest bird of them all' en 'produces a lot of shit'.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut