Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schijnen - (stralen; een bepaalde indruk maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schijnen ww. ‘stralen; een bepaalde indruk maken’
Onl. eerst alleen de afleiding giskīnan ‘verschijnen, zich voordoen’ in so ... geschein ic thi ‘zo ben ik voor u verschenen’ [10e eeuw; W.Ps.], dan skīnan ‘licht verspreiden, stralen; zich voordoen, zichtbaar zijn’ in wanda sol iusticię nu skiinet ‘want de zon van de gerechtigheid schijnt nu’, thar schinen allerslahte dugathæ ‘daar schitterden allerhande deugden’, wanda thiu eynualdigheyd an thir schinet ‘want je oprechtheid is duidelijk’ [alle ca. 1100; Will.]; mnl. sc(h)inen ook ‘een bepaalde indruk maken’ in dat wi lieuer heben guot man te scinene dan te wesene ‘dat wij liever een goed mens willen schijnen dan willen zijn’ [1270-90; VMNW].
Os. skīnan (mnd. schinen); ohd. scīnan (nhd. scheinen); ofri. skīna (nfri. skine); oe. scīnan (ne. shine); on. skína (nzw. skina); got. skeinan; alle ‘schijnen, schitteren, stralen e.d.’, < pgm. *skīnan-.
Verwant met: Grieks skiá ‘schaduw’; Sanskrit chāyā́- ‘schaduw, reflectie’; Oudkerkslavisch sijati ‘schijnen, stralen’ (Russisch siját'), sinǫti ‘id.’, sěnĭ ‘schaduw’ (Servisch/Kroatisch sjena); Albanees hie ‘schaduw’; Tochaars B skiyo ‘schaduw’; bij de wortel pie. *sḱeH(i)- ‘schijnen’ (LIV 546). Voor het schijnbare contrast tussen de betekenissen ‘schaduw’ en ‘schijnen’, zie → schemeren.
Uit de oorspr. betekenis ‘licht verspreiden’ ontstond in het continentaal West-Germaans de verzwakte betekenis ‘zichtbaar zijn, zich voordoen’, en nog zwakker, d.w.z. zonder bijgedachte aan fysieke zichtbaarheid, ‘een bepaalde indruk maken, die niet noodzakelijk overeenkomt met de werkelijkheid’. In afleidingen van schijnen komt meestal maar een van deze betekenissen tot uiting, bijv. in beschijnen ‘doen oplichten’, verschijnen ‘zichtbaar worden’ en → waarschijnlijk ‘naar verwachting’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schijnen* [stralen] {schinen 1236} oudsaksisch skinan, oudhoogduits, oudengels scinan, oudfries, oudnoors skína, gotisch skeinan, van dezelfde stam als schier1 [wit, grijs]; buiten het germ. grieks skia, albaans , oudkerkslavisch sěnĭ [schaduw], oudindisch chāyā [glans, schaduw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schijnen ww., mnl. scînen, os. skīnan, ohd scīnan (nhd. scheinen), ofri. skīna, oe. scīnan (ne. shine), on. skīna, got. skeinan ‘glanzen, schijnen’. — gr. skiá ‘schaduw’, oi. chāyá ‘schaduw, schemer’, nperz. sāya ‘schaduw, bescherming’, osl. sĕnĭ ‘schaduw’, sijati ‘glanzen’, alb. ‘schaduw’ toch. Β skiyo ‘schaduw’.; idg. wt. *sk̂āi: *sk̂ī met de bet. ‘gedempt glanzen; schaduw’ (IEW 917-918).

Van deze wortel is schijnen een afl. met n; daarnaast met m zie: schemeren en met r zie: schier 2.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schijnen ono.w., Mnl. scinen, Os. scînan + Ohd. id. (Mhd. schînen, Nhd. scheinen). Ags. scínan (Eng. to shine), Ofri. skína, On. id. (Zw. id., De. skinne), Go. skeinan: Germ. wrt. skī, van waar nevens schij-n ook schee-m, schi-m en schie-r 2. (= glanzend) + Skr. chāyā = glans, Gr. skía, Alb. , Osl. sěnĭ = schaduw: Idg. wrt. skei̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schijnen (schijnde, heeft geschijnd), 1. misleiden, voor de gek houden. Zoiets van: ik ga ze schijnen, en als ze denken dat ik ben gevallen, dan maak ik bullebak* voor ze, so beueu...! (Dobru 1969: 7). - 2. overhalen, verleiden. Dan kom je me schijnen om drugs te kopen, net of ik een vreemde ben, met je verleidende soulbrother! (Cairo 1980b: 78). - 3. het hof maken. Na een paar maanden werd ik overgeplaatst, ik kwam op een kantoor met alleen dikke mannen en vrouwen, ze aten en babbelden en schijnden elkaar de hele dag (Rappa 1980: 57). - 4. de ogen uitsteken (fig.). Dan eens per jaar gaan ze [in Ned. wonende Surinamers] terug met hun vakantie. Kijk, ze beladen met hun materialen: grote valiezen*, hoe duurder hoe mooier! Ze schijnen de arme achtergeblevenen! (Cairo 1980b: 114). - Etym.: AN s. (scheen, heeft geschenen; een koppelww.) bet. ’een indruk maken die niet met de werkelijkheid overeenstemt’. Vgl. Am. ‘to shine up to’ = zich aangenaam maken bij. - Zie ook: lijken*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schijnen, denom. van schijn, afl. op n van den Germ. wt. ski = blinkend zijn, glanzen. Het Os. sein (Mnl. scheme) bet. zoowel glans als schaduw, vandaar ons: schemeren (z. d. w.) en schim.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schijnen ‘stralen; (Surinaams-Nederlands) verleiden’ -> Negerhollands skien ‘stralen, glanzen’; Sranantongo skèin ‘stralen; verleiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schijnen* stralen 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2659. Niet kunnen zien (of lijden), dat de zon in het water schijnt,

d.w.z. afgunstig zijn op het geluk, de gunst, die een ander te beurt valt; ontevreden of boos zijn, omdat een ander iets geniet, ‘als of de zon voor hem alleen moest schynen’, zegt Tuinman I, 171. Deze spreekwijze is sedert de middeleeuwen bekend blijkens Mnl. Ged. en fr. I, 651: Het es den meneghen zeere ghepijnt, dat de sonne int water schijnt; vgl. Campen, 41: Hy mach niet lyden dat de Sonne int water schynt; zie Ons Volksleven V, 145: Dese is ghepynt om dat de son int water schynt; het Aemstelredams Amoreus Lietboek, anno 1589, bl. 93 a:

 Nummermeer en sal ick laten
 Te zijn met haer verhuecht,
 Hoewel dat nijders haten
 En benyen onsen vruecht.
 Ghy valsche Junos kinderen,
 Van binnen heel venijnt,
 Seght my, wat macht u hinderen

 Dat die sonne int water schynt?Everaert, 65, vs. 430: Hu deert dat de zunne jnt water es scynelic; Idinau, 97:

 De sommige konnen niet ghelijden
 Dat de sonne erghens in t'water schijnt;
 Als men yemandt deught doet, sy dat be-nijden.
 Eens anders wel-vaert hen quelt en pijnt.
 Sulck bijt van binnen die van buyten grijnt.

Zie nog Coster, 513, vs. 531; Smetius, 39; V.d. Venne, 201: De son mach wel in 't water schijnen, al sou het ooge daer van pijnen als kantteekening bij:

 Snappers, die een aer benyen,
 Hoe ken yemant die noch lyen?
 Kyvers, die het harte pijnt
 Als de Son in 't Water schijnt.

Snorp. II, 13; W.D. Hooft, Verloren Soon, 2 v; Sewel 994: Hy mag niet lyden dat de zon in 't water schynt, he understands no joke, he can 't suffer the sport of young people; Adagia, 7: Benijden dat de Son in t' waeter schijnt, invidere solem undis; bl. 33: Hij benyt dat de Son in 't waeter schijnt, figulus figulum odit; Harrebomée II, 440 b; B.B. 52; P.K. 188; Nkr. VII, 6 Dec. p. 2; Nw. Amsterdammer, 30 Januari 1915, p. 11 k. 1; Antw. Idiot. 1420; 2177: ik kan lijden dat de zon in 't water schijnt, als ik de grootste straal maar heb; De Bo, 1372; Schuermans, 813 b, waar naast deze spreekwijze nog wordt opgegeven: hij kan niet verdragen dat de zon in iemands vijver schijnt (vgl. ook 't Daghet XIII, 47). In het Friesch: ik mei de sinne wol yn 't wetter skinen sjên, ik zie wel gaarne de zon in 't water schijnen; dat anderen gelukkig zijn.Op een bas-relief in het Stadhuis te Brussel is dit gezegde in beeld gebracht als een mansfiguur het hoofd afwendende, terwijl vóór hem de zon op 't water schijnt; zie P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Nederlandsche Kunst der Middeleeuwen, blz. 202.. Zie no. 1690.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut