Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schijf - (platrond voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schijf zn. ‘platrond voorwerp’
Mnl. schiue ‘schijf’, schiueken ‘schijfje’ [beide 1240; Bern.], sc(h)ive, sc(h)ijf in enen casteel op vir sciuen lopende ‘een belegeringstuig, op vier wielschijven voortgaande’ [1260-80; VMNW], Een ront instrument ..., dat wi een rol of een scijf hieten ‘... noemen’ [ca. 1460; MNW].
Os. skīva (mnd. schive); ohd. scība (nhd. Scheibe); ofri. skīve (nfri. skiif); me. schive (ne. vero. shive); on. skífa (nzw. skiva); alle ‘platrond voorwerp, schijf’, < pgm. *skībō-. Daarnaast met korte stamklinker pgm. *skibō-: mnl. scheve ‘klein stukje, schijfje, schilfer’ (vnnl. scheef ‘vlasafval’); mnd. scheve ‘klein stukje’ (vanwaar nde. skæve ‘id.’); mhd. schebe ‘vlasafval’ (nhd. Schäbe); me. schive ‘schijf’ (ne. sheave/ shive ‘id.’); daarnaast bestaat schever in de samenstelling scheversteen ‘kiezelsteen’, en in de andere Germaanse talen: mnd. schever, schiver ‘schilfer, scherf, splinter’; ohd. skiverro ‘id.’ (nhd. Schiefer ‘leisteen’, Oostenrijks-Duits ‘splinter’); me. scifre ‘id.’ (ne. shiver ‘splinter’), zie → schilfer.
Pgm. *skīb-/*skib- kan met grammatische wisseling herleid worden tot pie. *sk(e)ip-, dat in het algemeen wordt beschouwd als uitbreiding van de Indo-Europese wortel van → scheiden. Van het zn. zelf bestaan er buiten het Germaans geen rechtstreeks verwante woorden. Men vergelijkt meestal Latijn scĩpiō ‘staf’ en Grieks skī́pōn ‘staf, stok’, skoĩpos ‘steunbalk’, maar het betekenisverband is zwak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schijf* [platrond voorwerp] {scive [platrond voorwerp, schijf, rol] 1201-1250} oudsaksisch skiva, oudhoogduits skiba, oudfries skive, middelengels schive (engels sheave shive), oudnoors skifa; buiten het germ. latijn scipio [staf], grieks skipōn [staf, stok] (vgl. scepter, schacht1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schijf znw. v., mnl. scîve v. ‘schijf, plat rond voorwerp’, os. skīƀa, ohd. scība (nhd. scheibe), ofri. skīve, me. schīve (ne. shive), on. skīfa. — Daarnaast het ww. mnl. mnd. schīven, mhd. schīben ‘rollen’, ofri. skīvia ‘delen, bevredigen’, on. skīfa ‘in schijven snijden’. Verder mnl. scēve v. ‘klein stukje, schijfje, afval van vlas’, vla. schef, schif, mhd. schebe ‘afval van vlas’ (nhd. schäbe), ne. shive ‘schijfje, snede’ en mnl. scēver (in sceversteen ‘silex’), mnd. schēver, ohd. scivaro (nhd. schiefer), ne. shiver ‘splinter, stukje’. — Van de idg. wt. *skeip, vgl. gr. skoĩpos ‘grondbalk waarop het aardewerk staat’, skípōn ‘staf, stok’, lat. scipiō m. ‘staf’ (IEW 922).

Naast de wt. *skeip staat ook *skeib, waarvoor zie: schip en schiften; beide afl. van *skei, waarvoor zie: scheiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schijf znw., mnl. scîve v. “schijf, plat rond voorwerp”. = ohd. scîba (nhd. scheibe), os. skîƀa, ofri. skîve (in knê-skîve “knieschijf”), meng. schîve (eng. shive), on. skîfa v. “id.”, in sommige talen ook “bal, bol”. Verwant met gr. skoīpos “pottenbakkersschijf”. Uit ’t Germ. misschien hierbij mhd. schîben (sterk) “(zich) rollend voortbewegen, draaien, keeren”, mnd. schîven “rollen, wentelen”, noorw. dial. skĭva “een plat voorwerp vooruitschuiven”. Verwantschap met de bij schacht besproken basis sqī̆p- (sḱī̆p-?) is met ’t oog op de bett. van gr. skḗptō, skímptō niet onmogelijk, maar toch ook niet wsch. ’t Zelfde geldt van de combinatie met scheef, terwijl ook identificeering van idg. sqip- met qsip- (in lat. dissipo “ik werp uit elkaar, verstrooi”, oi. kṣipáti “hij werpt, slingert”) semantisch en formeel mogelijk, maar zeer onzeker is. Waarschijnlijker is nog de combinatie van schijf en gr. skoīpos met de bij schiften besproken basis idg. sq(h)ip-; de woorden zouden dan beteekenen “afgeslagen, afgespleten, behouwen voorwerp”: mhd. schîben, mnd. schîven, noorw. dial. skĭva zouden dan van schijf te scheiden zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schijf. Gr. skoi͂pos niet = ‘pottenbakkersschijf’, maar ‘houten onderlaag, waarop het aardewerk rust’. Daarom zal dit woord eerder bij de s. v. schacht besproken basis *sqĭp- (*sḱī̆p-) behoren. Sommigen beschouwen deze trouwens als identisch met de basis van schiften; onzeker. Bij mhd. schîben ‘(zich) rollend voortbewegen’: Kil. schijven ‘voortrollen’, vla. schijveren ‘ronddraaien’ (tr. en intr.)

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schijf v., Mnl. scive. Os. skîƀa + Ohd. scîba (Mhd. schîbe. Nhd. scheibe), Meng. schive (Eng. shive), Ofri. skíve, On. skífa (Zw. skifva. De. skive) + Gr. skoĩpos = schijf, skípōn = staf. Het woord behoort bij een werkw. *schijven, On. skífa = splijten, snijden; dus schijf = snede, tranche; hierbij ook nog scheef 1. en schiften.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skyfie s.nw.
1. Verkleinw. van skyf. 2. Plaatjie vir 'n mikroskoop. 3. Kleurskyfie. 4. Aartappelskyfie.
In bet. 1 uit Ndl. schijfje (ongeveer 1650). In bet. 2 en 3 uit Ndl. schijf (1736) 'kleinerige, plat stuk waarvan die omtrek nie rond hoef te wees nie' onder die invloed van die Ndl. verkleinw. schijfje. Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. chip (1859).
Ndl. schijf hou naas Oudsaksies skiva, Oudhoogduits skiba, Oudfries skive, Middelengels schive, Eng. sheave, shive en Oudnoors skifa verband met Latyn scipio 'staf' en Grieks skipōn 'staf, stok'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schijf (de, schijven), (ook:) niet uitgebeende, magere runderlappen. De schijf, kasripo*, kaneel, pimentkorrels en pepers* erbij doen. Op een zacht vuurtje goed laten doorkoken tot het vlees helemaal zacht is () (S&S 148). - Etym.: In AN veroud., maar had het dezelfde bet. als nu in het SN? Noel Ch. & d. Ch. (1778: 3345) vermelden ’kalverschijf’, ’runderschijf’ e.a. - Zie ook: varkensschijf*, stoofvlees*.
— : ronde schijf, schenkelvlees met been, bestemd voor soep. - Syn. ronde soep*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

skyfie: dim. v. skyf, dikw. verwar m. ’n skuifie (rook); Ndl. schijf (Mnl. scive/schive, by Kil schijve, “ronde voorwerp”), Hd. scheibe, Eng. shive, verw. aan Gr. skoipos, “pottebakkerskyf”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schijf (harde --) (vert. van Engels hard disk)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

schijfje In 1898 opgenomen in de Grote Van Dale voor ‘cognacgrog met een schijfje citroen’. In 1930 kwam deze borrelnaam voor in een artikel over borrelnamen van P.H. Ritter jr. Het schijfje werd doorgaans ’s avonds gedronken en soms ook bereid met jenever.

[Ritter 71]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schijf ‘platrond voorwerp’ ->? Engels scaife ‘ploegschaar; slijpschijf’; Engels skive ‘slijpschijf’; Engels shive ‘snee (brood); knieschijf; kurk, stop’; Deens ‘(zeemansterm) opgerold touw’ (uit Nederlands of Duits); Russisch dialect škív, škif, škiva ‘schijf, wiel (in een blok), katrol; slijpschijf (bij steenhouwers); aandrijfschijf, deel van een weefgestoel; blok aan het bovenste eind van de mast voor het hijsen van het zeil’; Oekraïens škív ‘schijf, wiel (in een blok), katrol’ ; Azeri škív ‘schijf, wiel (in een blok) voor het hijsen van het zeil’ ; Indonesisch sekip, skip ‘schietschijf; schietbaan’; Javaans sekip ‘platrond voorwerp; schietschijf, schietterrein’; Madoerees sēkkep ‘schietschijf’; Papiaments † schijfie ‘platrond voorwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schijf* platrond voorwerp 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut