Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schiften - (sorteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schiften ww. ‘sorteren; klonterig worden’
Mnl. schiften ‘scheiden’ in hebben sii gheschift ende ghedeeld alle die eruen ‘hebben zij gescheiden en gedeeld alle nagelaten zaken’ [ca. 1296-97; Burgers 1993], ‘indelen’ in Die slaven ... sal hi te wercke schichten ‘De slaven ... zal hij voor het werk indelen’ [MNW; ca. 1450]; vnnl. schiften, schiffen ‘tot boter worden van melk’ [1573; Thes.].
Een Hollandse vorm, aangezien de algemeen-Nederlandse klankovergang -ft > -cht, zoals in de vorm schichten, en zie → achter, in dit woord achterwege is gebleven.
Mnd. schichten, schiften ‘delen, regelen’; mhd. schihten ‘ordenen in lagen, opstapelen’ (nhd. schichten ‘id.’); ofri. skifta ‘scheiden, ordenen, regelen’ (nfri. skifte, skiftsje ‘schiften’); oe. sciftan ‘scheiden, ordenen’ (ne. shift ‘verplaatsen’); on. skipta ‘scheiden, verdelen’ (nzw. skifta ‘verdelen, veranderen’); < pgm. *skiftijan-.
Daarnaast staan vormen zonder -t-: mnd. schippen ‘bewerkstelligen, ordenen’; ofri skipia ‘inrichten’; on. skipa ‘regelen, ordenen’; < pgm. *skipjan-, *skipōn-. Van het bijbehorende, op het verl.deelw. berustende bn. *skifta- kan dan pgm. *skiftijan- zijn afgeleid (FvW), met mogelijk een andere betekenisnuance dan het grondwerkwoord. Ook mogelijk is dat het naar betekenis niet ververwijderde → ziften hier van invloed is geweest.
Verwant met: Litouws skiẽbti ‘lostornen’, Lets šķibīt ‘houwen, snijden’; < pie. *skeh2i-b- ‘snijden, splijten’ (IEW 922). Dit is een uitbreiding met een labiaal van de wortel *skeh2i-, waarvoor zie → scheiden.
De betekenis ‘scheiden, delen’ komt rechtstreeks voort uit de betekenis ‘snijden, splijten’ van de wortel. Daarentegen zullen de betekenissen ‘ordenen, indelen, regelen’ zich ontwikkeld hebben uit de semantische tussenstap ‘behouwen, vormen’. In onovergankelijk gebruik heeft het werkwoord meest betrekking op melk, die door het stremmen van het eiwit zich als het ware scheidt in zijn bestanddelen.
Lit.: J.W.J. Burgers (1993), ‘Enkele nieuwe aanvullingen op het Corpus Gysseling’, in: Taal en Tongval 45, 184-202, hier 195

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schiften1* [sorteren] {1439} middelnederduits schiften, middelhoogduits schichten, oudfries skifta, oudengels sciftan, oudnoors skipta; de grondbetekenis is ‘afscheiden’, verwant met schijf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schiften 1 ww., mnl. sciften, scichten ‘scheiden, delen’, mnd. schiften, schichten ‘delen, regelen’, ofri. skifta ‘regelen’, oe. sciftan ‘delen, regelen, bepalen’ (ne. shift), on. skipta ‘verwisselen, ruilen, delen, beslissen’. - — Een afl. van mnd. schippen, ofri. skipia, on. skipa ‘ordenen, inrichten’. — lit. skiẽbti ‘lostornen’, lett. šk’ibīt ‘houwen, snijden’ (IEW 922). — Zie ook: schip en schijf.

Kiliaen noemt schiften ‘verdelen’ (Holl.) naast schiften, schiffen (van melk). De vorm met -ff- is secundair ontstaan, doordat men vormen als schift, geschift van een stam schif afleidde. — De idg. wt. *skeib is een afl. van *skei en deze gaat weer terug op *sek ‘snijden’ (waarvoor zie: zaag), een typisch woord voor het primitieve bosbedrijf. Wij mogen vermoeden, daarin de gedachtengang van J. Trier volgend, dat tot deze begripssfeer ook behoorde ‘omheinde ruimte, waarbinnen de dingvergadering gehouden werd’; tot de daar gepleegde werkzaamheden behoorde ook het toedelen aan de leden der groep, hetzij van bezit of van arbeidsplichten; daaruit verklaart zich dan een bet. ‘toedelen, ruilen, beslissen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schiften ww. Kil. vermeldt schiften “verdeelen” als “Holl.” en schiften, schiffen (van melk) zonder zoo’n locale aanwijzing. Beide ww. zijn identisch. De vorm schiffen ontstond, doordat het taalgevoel uit den 3. pers. schift, het verl. deelw. geschift e.dgl. een stam schif- abstraheerde. Mnl. (noordndl.) sciften komt reeds voor met de bet. “scheiden, deelen” naast scichten “id.” met cht uit ft. = mnd. schiften, schichten “deelen, regelen” (schift “geschift”, van melk e.dgl.), ofri. skifta “regelen”, ags. sciftan “deelen, regelen, bepalen” (eng. to shift), on. skipta “verwisselen, ruilen, deelen, beslissen”. Kan (misschien als denominativum van een bnw. *skifta-) behooren bij on. skipa “toedeelen, regelen, bepalen”. Deze basis, idg. sq(h)ib- “snijden, splijten”, waarvan ook schip kan komen (en lett. schkˊibît “snijden, hakken”? Zie echter schaven), is een verlenging van sq(h)i- “id.”; zie scheen. Schiften zou ook van de basis germ. skif-, idg. sq(h)ip- (eveneens uit sq(h)i- verlengd) gevormd kunnen wezen, waarvan ofri. skiffa “beslissen, onderzoeken” komen kan benevens mnl. sceifelen “uiteen doen gaan, in de war brengen”, scēve v. “klein stukje, schijfje, afval van vlas”, vla. schef, schif o., nhd. schebe (md. al 1422), mnd. schēve v. “afval van vlas”, ohd. scivaro m. (nhd. schiefer), mnd. schēver m., eng. shiver “scherfje”, mnl. scēver-steen m. “silex”, misschien ook schijf en verwanten en ksl. cěpiti “splijten”. Naast (s)q(h)ip- een synoniem (s)qep-, (s)qap-; zie schaven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schiften. Het als vla. vermelde schif ‘afval van vlas’ komt ook in noordndl. diall. (Gron. Achterh.) voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schiften o.w., Mnl. id. + Ags. sciftan (Eng. to shift), Ofri. skifta, On. skipta (Zw. skifta, De. skifte): intens. van *schijven: z. schijf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schiften (DB, O), ww.: rafelen, uiteengaan (van de vezels van stof of zijde). Hetzelfde als Ndl. schiften < Mnl. schiften ‘scheiden, verdelen’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schiften ‘in de gevangenis zitten’ (Rotwelsch schefften); ‘sorteren’

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schiften (van melk; ook: schiften van schriftelijk werk, enz.) bet. eig.: afzonderen, en wel: in dunne lagen afscheiden, (Vgl. ’t Hgd. Schicht voor laag, bijv. een kolenlaag = Kohlenschicht; cht en ft zijn verwant: kracht en Kraft). Ook schijf als dunne laag behoort hierbij.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schiften ‘door stremmend eiwit ongelijkmatig worden’ -> Sranantongo skefti ‘door stremmend eiwit ongelijkmatig worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schiften* sorteren 1296-1297 [Claes Tw. 12]

schiften* door stremmend eiwit ongelijkmatig worden 1573 [Plantijn]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

skē̆i- ‘schneiden, trennen, scheiden’, Erweiterung von sek-; Anlaut z. T. auch sk̑-, skh-, sk̑h-, wie auch in den Weiterbildungen, skai-to-, skoi-to- ‘Brett, Schild’; sk̑id(ǝ)-ro-, sk̑id-to- ‘gespalten’

I. Ai. chyati ‘schneidet ab’, Partiz. chāta-, chitá- ‘abgeschnitten’, Kaus. chāyayati (mit sk̑-, wie:);
av. fra-sānǝm ‘Zerstörung’, sā-, sya- ‘wehren’;
gr. σχάω (*skhǝi̯ō, Impf. ἔσχwν, Inf. κατα-σχᾶν), σχάζω (Neubildung, Schwyzer Gr. Gr. 1, 716) ‘ritze, schlitze auf’ und ‘lasse fallen, schlaff herabhangen, hemme, stehe offen’, σχάσις ‘das Ritzen, Schröpfen; Loslassen’, σχάσμα n., σχασμός m. ‘Einschnitt’, σχαστήριον ‘Lanzette, Riegel’, σχαστηρία ‘das (zur Abtrennung der Zuschauer dienende) Seil vor der Rennbahn’;
lat. sciō, scīre ‘in Erfahrung gebracht haben, wissen’ (‘scheiden, unterscheiden’), dēscīscō, -ere ‘abtrünnig werden, sich lossagen’, scīscō, -ere ‘(durch Abstimmung) entscheiden, beschließen, verordnen’ und ‘zu erfahren suchen’, plēbīscītum ‘vom Volke gefällte Entscheidung’, scītus ‘gescheit’ (wie mhd. geschīde, nhd. gescheit zu *skēi-t-);
in der Bedeutung ‘ausscheiden’ (vgl. aisl. skīta unten S. 921) mir. sceïd ‘erbricht’ (*skei-i̯e-ti, idg. *skei-), Verbaln. sceith f. (aus *sceth, idg. *ski-tā, davon:) cymr. chwydu, bret. c’houeda, mcorn. hweža ‘sich erbrechen’; aus ir. scethach ‘zum Brechen reizend’ stammt aisl. skjaðak n. ‘Taumellolch’;
mir. scïan f. ‘Messer’, (*skii̯enā) daraus cymr. ysgïen ‘Messer, Schwert’; mir. scaīlid ‘läßt los, zerstreut’ (*skǝi-l-), air. erscaīliud ‘Zerteilung’;
aisl. skeina ‘leicht verwunden’; als ‘*abgespaltenes Holzstück, u. dgl.’: mhd. schīe m. f. ‘Zaunpfahl’, ags. scīa m. ‘Schienbein’, woneben (vgl. ahd. bīa : bini ‘Biene’) germ. *ski-nō(n) in ags. scinu f., scine-bān n. ‘Schienbein’, ahd. scina ‘Schienbein’, auch ‘Nadel’, norw. skĭna ‘kleine Scheibe’; afries. skidel ‘Armknochen’ (-dla Formans); westfläm. schier ‘Holzblock’ (*skī-ro-); von ‘*unterscheiden’ aus: ahd. skērī ‘scharf, scharfsinnig’ (*skēiro-); mhd. schier ‘schnell’, Adv. ahd. skēro, skioro ‘schnell’, mhd. schier(e) ds., ‘fast’;
lett. šk’ieva ‘Spalte im Holz’ und lit. skivytas ‘Fetzen’ haben wohl v aus dv, so daß zurd-Erweiterung lit. skíedžiu, lett. škiežu;
aksl. cěvnica “λύρα” (eig. ‘fistula’), russ. cěvjë ‘Griff, Handhabe’ und ‘Schienbein’, cěvka ‘Spule, Röhre; Schienbein des Pferdes’, usw.; daneben mit Palatal: lit. šeivà, šaivà, lett. saiva ‘Weberspule’ (bsl. *kōi-u̯ā, *(s)kēi-u̯ā, *(s)k̑ōiu̯ā).
II. Dentalerweiterungen skē̆i-d-, -t- (d, t z. T. präsensbildend, z. T. das nominale Formans-to-):
A. Formen auf -d-; im Ar. und Arm. mit sk̑-, im Balt. mit sk-:
ai. chinátti, themat. chindati ‘schneidet ab, spaltet’, Kaus. chēdayati; chēda- m. ‘Schnitt, Abschnitt’, chitti- ‘das Spalten’ (: lat. scissiō), chidrá- ‘zersplittert’, n. ‘Spalt, Loch’, chidira- m. (lex.) ‘Axt, Schwert’ (: av. sidara-, gr. σκιδαρός, ahd. scëtar, lett. šk’idrs ‘undicht’; vollstufig lit. skied-rà); av. saēd- ‘spalten’, avahisiδyāt̰ ‘er möge zerspalten’, sidara- (leg. sidra-) n. ‘Loch, Öffnung, Riß’, a-sista- ‘nicht gespalten’, balūčī sindag ‘spalten, brechen’;
arm. c̣tim ‘ritze mich, zerkratze mir mit den Nägeln die Haut’;
gr. σχίζω ‘spalte, trenne’, σχιστός (= av. á-sista-, lat. scissus) ‘geteilt, getrennt; teilbar’, σχίδαξ ‘Splitter, Schindel’, σχίζα f. ‘Scheit’, σχινδαλμός, Koine σκινδαλμός ‘Holzsplitter’, ἀνασχινδυλεύω ‘spieße auf’; makedon. σκοῖδος ‘Behörde’;
lat. scindō, -ere, scicidī, scissum ‘schlitzen, zerreißen, spalten’; scissiō ‘das Spalten’;
mbret. squeigaff, nbret. skeja ‘schneiden’ (-ž- aus -dj-, *skidi̯ō); cymr. ysgwydd (*skeid-), corn. scuid, bret. scoaz ‘Schulterblatt’;
air. scīath ‘Schulterblatt, Schwinge’ (þ statt ð nach scīath ‘Schild’);
ohne anlaut. s- vielleicht cymr. cwys f. ‘Furche’ (*kēid-tā-);
ahd. scīzan, ags. scītan, aisl. skīta ‘scheißen’ (*’ausscheiden’), mhd. schīze f., aisl. skītr m. ‘Durchfall’; ahd. scetar ‘dünn, lückenhaft’, mhd. schiter(e) ds., nhd. (obd., schles.) schitter (*skidro- = ai. chidrá- usw);
ohne anlaut. s- vielleicht aisl. hīt f. ‘Fellsack’;
lit. skíedžiu, skíesti ‘trennen, scheiden’, Iter. skáidyti (: got. skaidan, ai. chedayati), skiedà und skiedrà, skiedarà ‘Span’, skíemenys Pl. ‘der Raum, durch welche das Weberschifflein geworfen wird’, ap-skīdęs ‘zerfranst’, paskýsti ‘sich zerstreuen’; ohne anlaut. s- (durch diss. Schwund?) wohl sukìdęs ‘zerlumpt, zerfasert’;
lett. šḱiedu, šḱiest ‘zerstreuen, vergeuden’, šḱiemeńi Pl. ‘die über den Weberhefteln sich kreuzenden Fäden’, šḱīstu, šḱīst ‘auseinanderfallen’, šḱidrs ‘undicht, dünn’, skaîda ‘Span’; über lett. šḱieva ‘Spalte’, s. oben S. 920;
damit identisch lit. skíedžiu, skíesti ‘verdünnen’, skýstas ‘dünnflüssig’, lett. skaidīt ‘Getränke verdünnen’, šḱīsts ‘dünnflüssig’ (und ‘rein, klar, keusch’), šḱīstīt ‘reinigen, säubern’, šḱīdināt ‘dünn, flüssig machen’, šḱidrs ‘dünnflüssig’; apr. skīstan Akk. ‘rein’, skīstai ‘keusch’;
aksl. čistъ ‘rein’, čistiti ‘reinigen’, čěśtǫ, čěstiti ‘reinigen’, ksl. čěditi ‘seihen’; russ. ščíryj ‘wahrhaft, echt’; vgl. auch oben S. 917;
B. Formen auf -t-:
air. scīath m. ‘Schild’, cymr. ysgwyd, abret. scoit, nbret. skoed ds. = aksl. štitъ ‘Schild’, (ursprüngl. ‘Brett’), woneben mit Abtönung apr. staytan (lies scaytan) ‘Schild’ und lat. scūtum ds.;
aisl. skīð n. ‘Scheit, Schneeschuh’ (‘Ski’), ags. scīd ‘Scheit’; ahd. scīt ‘Holzstück, Scheit’ (*skīto-), mhd. schīten ‘spalten’, schīden ‘trennen, scheiden’, geschīde ‘gescheit, schlau’, aisl. skīðī n. ‘Scheide’; ablautend mhd. scheite ‘Holzspan’ und schwundstuf. ahd. scidōn ‘scheiden’, scidunga ‘Scheidung’, mhd. schit, -des m. ‘Scheidung, Unterscheidung’;
got. skaidan ‘scheiden’, ags. scēadan ‘scheiden, zerstreuen, vergießen’ (so auch mnl. scheiden ‘Blut vergießen’); ahd. sceidan (Partiz. ki-sceitan) ‘scheiden’; aisl. skeið n. ‘Stück Raum oder Zeit, Laufbahn’, as. skēth m. ‘Unterschied’, mhd. scheit f. ‘Scheidung, Wasserscheide’; ags. scēada, mnl. schēde, as. skēðlo ‘Scheitel’, mnd. schēdel m., schēdele f. ds., ahd. sceitilo ds.;
aisl. skeið f. ‘Weberkamm’, Pl. ‘Schwertscheide’ (‘eig. die beiden Holzscheiben in dieser’), ags. skǣð, scēað, ahd. sceida ‘Schwertscheide’, auch ‘Trennung, Grenze’, as. skēðia ds., ags. sceaðel ‘Weberkamm’;
mhd. schedel ‘Schädel, auch Trockenmaß’, mnl. schedel ‘Deckel, Augenlid’ (ndl. scheel ‘Deckel’), mnd. schedel, schidele ‘Schachtel’ aus *skiþla-, idg. *ski-tlo-, eigentlich ‘(abgeschnittene) Schädeldecke’; auf einem to-Partiz. von skēit- oder skēi-d- (vgl. lat. scissus) beruht ahd. scesso ‘rupes’;
III. Labialerweiterungen:
skē̆i-p-: gr. σκοῖπος m. ‘die Grundbalken, auf denen die Ziegel ruhen’; σκί̄πων ‘Stab, Stock’ (eig. ‘*abgespaltener Ast’), σκίμπους ‘Ruhebett’ (*σκιμποπους), σκίμπω, σκίμπτω ‘füge ein’; lat. scīpiō m. ‘Stab’; s. auch S. 543 unter k̑eipo- ‘Pfahl’ und S. 930 f. skēp-; gr. σκοίψ· ψώρα Hes. (von sich ablösender Haut);
ahd. scivaro ‘Holz- oder Steinsplitter’, nhd. Schiefer, mnd. schever, mengl. scifra, nengl. shiver ‘Splitter, Stückchen’, mhd. schebe f. ‘Abfall beim Flachsbrechen’, nhd. Schäbe, engl. shive ‘Schnitte’, ferner (als ‘abgeschnittenes Stück eines Stammes’), aisl. skīfa, as. skīƀa, ahd. scība ‘Scheibe, Rolle, Walze’, nhd. Scheibe, wozu aisl. skīfa ‘spalten, in Scheiben teilen’, mnd. schīven, mhd. schīben ‘rollen, Kegel scheiben’ (Kegel schieben durch Entstellung), afries. skīvia ‘teilen’.
skei-b-: got. aisl. ags. skip n. ‘Schiff, Boot’ (‘*ausgeschnittener, gehöhlter Einbaum’), ahd. scif, scef ‘Schiff, Weberschiff’ auch ‘Gefäß’, sciphi n. ‘phiala’, mhd. schipfe ‘Schaufel, Grabscheit’; dazu (als ‘zerschneiden = verteilen’) aisl. skipa ‘zuteilen, bestimmen, ordnen’, mnd. schippen ds.; aisl. skipta ‘teilen, entscheiden, wechseln’, ags. sciftan, mnd. schiften, schichten ‘teilen, ordnen’;
lit. skiẽbti ‘auftrennen’, lett. šḱibît ‘hauen, schneiden, ästeln’.

WP. II 541 ff., WH. II 493 f., 495 f., 503, Trautmann 263 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal