Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schier - (langwerpig gekloofd stuk hout)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schier3* [langwerpig gekloofd stuk hout] {1588, vgl. schiden [klieven] 1562} middelhoogduits schie [paal van een hek]; van dezelfde stam als scheiden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schier 1 znw. o. ‘langwerpig gekloofd stuk hout’, een afl. van de idg. wt. *skei ‘snijden, scheiden’, vgl. mhd. schīe m. v. ‘heiningpaal’. — Zie verder: scheiden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut