Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schier - (wit, grijs, grauw)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

schier bn. ‘grijs’
Oudnederlands scieri ‘zuiver’ (901–1000), filoscire ‘voortreffelijk’ (901–1000), en in enkele toponiemen: Scire (Noord-Frankrijk, 1051; nu Equirre), Skireuelda ‘Schiervelde’, lett. ‘licht veld’ (West-Vlaanderen, 1184). Middelnederlands schir (1265–70) ‘dof geworden wit’, scir, scier ‘grijs’ (van vogels) (1287), Middelschieremeed, veldnaam, lett. ‘Middel-lichte-weide’ (West-Vlaanderen, 1267), Schiermonnichoge ‘Schiermonnikoog’ (1440), lett. ‘Eiland van de grijze monniken’ (Cisterciënzers). De betekenis ‘helder, lichtkleurig’ is in het Middelnederlands al zeldzaam, en na 1500 komt ook ‘grijs’ nog maar sporadisch in literaire teksten voor (bijv. in 1634). In Noord-Holland was skier ‘grijs’ in de 19e eeuw al verouderd. Wel bestaan ‘grijs’, ‘zuiver’ en ‘mooi’ nog in verschillende noordoostelijke dialecten.
Verwante vormen: Oudsaksisch skīr ‘zuiver’, Middelhoogduits schīr ‘zuiver’, Oudfries skire ‘licht; grijs; volwaardig’, toponiem Skirmere ‘Schermer’, lett. ‘helder water’ (Noord-Holland, 1001–1050), Oudengels scīr ‘licht, glanzend’, MoEngels sheer ‘louter’, Oudnoors skírr, Gotisch skeirs, uit Proto-Germaans *skīri-. Laatstgenoemde vorm zet een ouder *skei-ri- voort, waarnaast in het Noordgermaans ook een variant *skai-ri- ‘zuiver, glanzend’ voorkwam (OIJs. skærr).
Afgeleid van het werkwoord schijnen uit PGm. *skīnan-. Dat zet een n-stam werkwoord PIE *skh1-i-n- ‘schijnen, glinsteren’ voort, afgeleid van oudere PIE formatie *skeh1-i-, *skoh1-i-, waar verschillende woorden voor ‘schaduw’ van afstammen (bijv. Grieks skiá, Albanees hije). De Germaanse bn. *skeiri- en *skairi- ‘glanzend’ kunnen als PIE *skeh1-i-ri- en *skoh1-i-ri- gereconstrueerd worden.

[Gepubliceerd op 24-03-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schier1* [wit, grijs, grauw] {oudnederlands scieri 901-1000, middelnederlands schier [glanzend, grijs]} oudsaksisch skīr(i), middelhoogduits schīr, oudfries skire, oudengels scīr, oudnoors skīrr, gotisch skeirs; van dezelfde stam als schijnen; vgl. Schiermonnikoog [eiland van de grijze monniken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schier 2 bnw. ‘wit; grijs, grauw’ (vgl. Schiermonnikoog ‘eiland der grijze d.i. Cisterciënser monniken’), mnl. scier ‘glanzend, grijs’, os. skīr(i), mhd. schīr, ofri. skīre, oe. scīr, on. skirr, got. skeirs ‘helder, duidelijk’, vgl. de volksnaam Scīri. Daarnaast abl. on. skærr (< oern. *skairiR) ‘helder’. — gr. skĩron ‘zonnescherm’, van de idg. wt. *sk̂āi: *sk̂ī, waarvoor zie: schijnen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schier 2 bijv.(helder, grijs, bruin), Mnl. schiere. Onfra. scieri, Os. skîri + Mhd. skîr (Nhd. schier), Ags. scír (Eng. sheer), Ofri. skire, On. skírr (Zw. en No. skir), Go. skeirs: van denz. wortel als schijnen. Hierbij denomin. Ndd. Oostfri. schiren, Zw. skira = eieren tegen het licht houden om te zien of ze nog versch zijn. Hetz. adj. in schieraal, schierzwaluw en Schiermonnikoog.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schier* wit, grijs, grauw 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut