Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheut - (loot; kleine geschonken hoeveelheid; korte pijn)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Ziekteverwekkende demonen

In het verleden schreef men het optreden van ziekten en kwalen toe aan demonen en boze geesten. Zo verhaalt de Griekse bard Homerus dat de oorlogsgod Apollo door het afschieten van pestpijlen een pestepidemie over het Griekse leger bracht. In verschillende bijbelpassages slaat God of de duivel de mensen voor straf met ziektes. In Lucas 13:11 is bijvoorbeeld sprake van “een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte”. Een krankzinnige heette al aan het eind van de dertiende eeuw bezeten; mettin viant beseten wil zeggen: ‘door de duivel bezeten’. Ook in andere ziektenamen zien we een oud geloof in ziekteverwekkende demonen terug.

Spit
Een onverwachte heftige pijn in de rug heet al sinds 1567 spit. Een spit is eigenlijk een puntige ijzeren staaf. De ziektenaam verwijst naar de oude mythische voorstelling dat de pijn veroorzaakt wordt door de steek van een kwaadaardig wezen, een heks of demon: de pijn voelt aan alsof een onzichtbaar wezen onverwacht met een spit in iemands rug steekt. Een vergelijkbare benaming is zweepslag. En denk ook aan de man met de hamer.
In Nederlandse dialecten wordt spit ook wel heksenschot, heksenscheut, lendeschot of kortweg schot genoemd. De verbreiding van de dialectnamen is te zien op het kaartje op deze bladzijde, afkomstig uit het boek Ziektenamen in de Nederlandse dialecten van dialectoloog A. Weijnen (1995). De Engelse benaming elf-shot, letterlijk ‘elfenschot’, de Duitse naam Hexenschuß (‘heksenschot’) en de Noorse namen hekseskot (‘heksenschot’), trollskot (‘trollenschot’) en alvskot (‘elvenschot’) bewijzen dat de demonische oorsprong van spit al dateert uit de tijd van de Germanen.
De namen scheut (van pijn) en steek (in de zij) gaan terug op het hetzelfde geloof in boze wezens die de mens pijn berokkenen. Scheut is een afleiding van het werkwoord schieten, en steek komt natuurlijk van steken, net als het Duitse equivalent Stich. Het Engelse stab (‘pijnscheut’) is afgeleid van een ander werkwoord, maar vertoont dezelfde betekenisontwikkeling.

Beroerte
Met beroerte duidt men een herseninfarct aan, een plotselinge toeval of verlamming, veroorzaakt door een bloeduitstorting in de hersenen. In deze betekenis is het woord voor het eerst in 1667 vermeld. Het woord beroerte bestond al in de Middeleeuwen, maar toen had het een ruimere betekenis, namelijk ‘onlust, oproer’ – denk aan de naam van het beroemde gerechtshof van Alva: de Raad van Beroerten.
De ziektenaam beroerte is afgeleid van beroeren (‘aanraken’), en bewijst dat men in het verleden veronderstelde dat een beroerte ontstond als gevolg van de aanraking door een demon. Dit geloof blijkt ook uit verschillende dialectbenamingen voor de ziekte, zoals geraaktheid, en beslag, sjlaag en geslegenheid. De laatste drie woorden zijn afleidingen van slaan en geven dus het geloof weer dat de ziekte optreedt door een slag of klap van een hogere macht. “Dese ziekte wordt by ons (...) Apoplexie, Beroertheydt, oft Godts-handt, ghenaamt”, vermeldt de letterkundige Jacobus Viverius in 1665.
In plaats van beroerte wordt sinds het einde van de negentiende eeuw in het Nederlands ook het Franse leenwoord attaque gebruikt, dat letterlijk ‘aanval’ betekent. Kennelijk zagen de Fransen in de ziekte het optreden – een aanval – van een demon. In Nederlandse dialecten is het leenwoord attaque verkort tot aantak of tak (ook komt voor: tak van een beroerte).

Aanval
Ook het Nederlands kent het metaforische gebruik van aanval voor een plotseling opkomende, kortdurende aandoening: een aanval van koorts (of kiespijn, jicht of griep). Het idee dat een ziektedemon de mens aanvalt of overvalt, is al te vinden bij de Grieken. De Griekse ‘vader der geneeskunde’ Hippocrates gebruikt de term epilèmptikos voor ‘aan vallende ziekte lijdend’; Aristoteles spreekt van epilèptikos. Beide vormen zijn afgeleid van het Griekse werkwoord epilambanein, dat onder andere ‘aanvallen’ betekent. De Griekse naam is al eind dertiende eeuw in het Nederlands overgenomen: “Want si een kint in haren dagen Vercregen hadde (…) Dat met epilemsien was” (‘Want zij had een kind gekregen dat aan epilepsie leed’).

Griep
Demonen toonden hun krachten op verschillende manieren: niet alleen door mensen te schieten of te steken, aan te raken of aan te vallen, maar ook door hen vast te pakken of te vangen. Het Franse grippe, dat we in de negentiende eeuw als griep hebben geleend, is afgeleid van het werkwoord gripper, dat vroeger de betekenis ‘grijpen’ had, en tegenwoordig ‘blokkeren, doen vastlopen’ en van stof ‘doen plooien’ betekent.
Een synoniem voor grijpen is vangen. Dit vinden we in het werkwoord bevangen ‘overmeesterd worden door een ziekelijke aandoening’. Tegenwoordig zijn het vooral duizelingen die mensen bevangen, maar vroeger zei men ook: een hoest (of ziekte) beving hem. In Vlaamse dialecten spreekt men nog van vang en hartvang voor ‘hartinfarct’ of ‘angina pectoris’.
Het moge duidelijk zijn: hoewel de medische kennis inmiddels fors is toegenomen, zijn de sporen van het oude volksgeloof in de Nederlandse ziektebenamingen nog volop aanwezig.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Demonische ziekten’, in: Onze Taal 7/8, 208.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scheut zn. ‘loot; kleine geschonken hoeveelheid; korte pijn’
Mnl. sc(h)ote ‘loot van een plant’ in dar vp spruten ... Drie scoten ‘daar ontspruiten drie loten’ [1285; VMNW]; vnnl. scheut ‘loot van een plant’ [1573; Thes.], ‘kleine geschonken hoeveelheid’ in een schootje loock-azyn [1653; iWNT]; nnl. ten laatsten giet men 'er een scheutje wyn-azyn by [1746; iWNT wijnazijn], ‘korte, doordringende gewaarwording’ in toen mij op eenmaal een pijnlijke scheut door den ganschen arm vloog [1808; iWNT].
Ontstaan door i-umlaut uit Proto-Germaans *skuti-, een ablautende afleiding (nultrap) van de wortel van → schieten. De resulterende eu-klank in het Middelnederlands werd tot aan de 15e eeuw meestal als o geschreven, waardoor het woord in sommige verbogen naamvallen niet altijd te onderscheiden is van sc(h)ot, waarvoor zie → schot 2.
Mnd. schöte ‘schot; projectiel’; ohd. scuz ‘bliksemschicht; snelheid, vaart; schot; projectiel’ (nhd. Schuss ‘schot; scheutje, portie; shot; vaart’); ofri. skete ‘schot’; oe. scyte ‘schot; projectiel’; on. skutr ‘achtersteven’ (nno. skut); < pgm. *skuti-.
De woorden scheut en schot hadden aanvankelijk enkele betekenissen gemeen. Pas in het Vroegnieuwnederlands tekende zich een duidelijk betekenisonderscheid af; daarbij kreeg schot de betekenissen die met de basisbetekenis van schieten ‘een projectiel afvuren’ samenhangen, terwijl scheut meer past bij de betekenis schieten ‘zich snel bewegen’: een scheut ‘loot’ is een relatief snel uit de plant tevoorschijn komende spruit, een scheut van pijn schiet als het ware door het lichaam en een scheutje vloeistof verkrijgt men door een vlotte op- en neergaande handeling met een fles. In het Duits is een soortgelijk proces opgetreden, maar met een andere uitkomst wat betreft de verdeling van betekenissen over Schuss < *skuti- en Schoss < *skuta-.
scheutig bn. ‘gul’. Mnl. schotich ‘vrijgevig’ in dat het niet goet es alte scheutich tzine [ca. 1485; MNW]; vnnl. scheutigh ter borsen ‘goedgeefs’ (letterlijk ‘bereidwillig met de portemonnee’), scheutigh tot arbeyden ‘werklustig’ [beide 1599; Kil.]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van scheut, wrsch. in de betekenis ‘loot’: loten komen veelal in overvloed tevoorschijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheut* [korte pijn, loot] {schote [schot, scheut, spruit] 1285; als ‘korte pijn’ 1808} middelnederduits schote, oudhoogduits scuz; behoort bij schieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheut znw. m., mnl. scōte (= schöte) m. v. ‘schot, scheut, spruit; schot van schietwerktuig, pijlschot; stroom, snelle loop’, mnd. schōte m. ‘schot, pijl, geweerlading’, ohd. scuʒ (nhd. schuss) m. ‘schot, stroom, pijl’, oe. scyte m. ‘het schieten, schot, pijl’; daarnaast on. skutr m. ‘achtersteven’ (eig. ‘iets dat naar voren uitsteekt’). — Afl. van schieten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheut znw., mnl. scōte (ȫ) m. v. “schot, pijl, stroom, scheut, spruit”. = ohd. scuʒ (ʒʒ; nhd. schuss) m. “schot, stroom, pijl”, mnd. schōte m. “schot, pijl, geweerlading”, ags. scyte m. “het schieten, schot, pijl”, met afwijkende bet. on. skutr (gen. -ar) m. “achtersteven”. Bij schieten. Voor de bet. “spruit” vgl. ohd. scoʒ o. (nhd. schoss m.), scoʒʒa v., mhd. schüʒʒelinc (nhd. schössling) m. “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

scheut. Adde: ofri. schet (m.? in samenst.) ‘schot’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheut v., Mnl. scote + Ags. scyte: met eu = ö van denz. stam als ʼt meerv. imp. van schieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skeut s.nw.
1. Loot. 2. Klein hoeveelheid vloeistof wat met een enkele beweging geskink is.
Uit Ndl. scheut (al Mnl. in bet. 1, 1653 in bet. 2). Ndl. scheut is gevorm van die stam van schieten 'skiet', in bet. 1 so genoem omdat die loot fig. gesproke uit die plant skiet, en in bet. 2 omdat die vloeistof fig. gesproke uit die houer skiet. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Vgl. D. Schoss, Eng. shoot.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

scheut Omstreeks 1870 werd scheut in Vlaanderen gebruikt als vochtmaat. Jenever maar ook terpentijn en vernis werden per scheut verkocht. Hoeveel centiliter er in een scheut ging, varieerde per periode en per regio. Vanaf het eind van de 19de eeuw werd scheut in grote delen van Vlaanderen tevens gebruikt voor een grote of dubbele borrel. Een gewone borrel werd een halfscheut genoemd. Guido Gezelle hoorde beide begrippen omstreeks 1895 in Mechelen. Ook in Gent, Antwerpen en andere plaatsen in Vlaanderen zijn deze benamingen aangetroffen. Men sprak ook van op scheut gaan voor ‘aan de zwier gaan’ of ‘uitgaan om te drinken’. Van Dale vermeldt scheut sinds 1924. Halfscheut heeft het woordenboek niet gehaald.

[Liev.-Coopm. 1229; Mullebrouck 335; Schuermans 586; Stoett 2:246; Teirlinck 1908:994; WNT XIV 545-546]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheut, van schieten; een opgeschoten lot of twijg; een scheut door ’t lijf; een scheut azijn: zooveel als in één keer uit de flesch schiet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheut ‘spruit of loot van een plant’ -> Frans écot ‘boomstronk; (in heraldiek) boom zonder takken’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheut* loot 1285 [CG Rijmb.]

scheut* korte pijn 1808 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut