Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheuren - (vaneenrijten, door trekken in stukken delen of gedeeld worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scheur zn. ‘barst’
Mnl. sc(h)ore, scure ‘scheur, bres, gapende wond’ in Nochtan so stonter selke schoere Al ongebutt ‘Niettemin was er nog menige scheur niet hersteld’ [1265-70; VMNW], eene wide scure ‘een brede bres (in een stadsmuur)’ [1285; VMNW], alst serpent gheuoelt der score ‘als de slang de wond voelt’ [1287; VMNW], scuere in Ende spranc midden indie scuere ‘en sprong midden in de kloof’ [1300-25; MNW-R].; vnnl. scheur [1573; Thes.].
Mnd. schore ‘scheur, breuk, spleet’; on. skor ‘scheur, inkeping; kloof; twintigtal (ontleend als Engels score, zie → score)’; < pgm. *skuri-, *skura-. Ablautende afleiding (nultrap) van de wortel van → scheren 1.
scheuren ww. ‘een scheur maken; een scheur krijgen’. Mnl. schoren, schueren ‘een scheur maken’ [1240; Bern.], ook onovergankelijk in haer helme scorden ende clouen ‘hun helmen scheurden en braken in stukken’ [1260-70; VMNW]. Afleiding van scheur.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheuren o.w., Mnl. scuren, scoren: staat tot scheren, als beuren 1. tot *beren (baren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2skeur ww.
1. Deur geweld uitmekaar ruk. 2. Deur te skeur (2skeur 1) los- of afruk. 3. Skeure (1skeur 1) kry of deur skeure verdeel word. 4. Eenheid verbreek.
Uit Ndl. sceuren (Mnl. scoren, sceuren). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheuren, van scheren (z. d. w.) evenals beuren (dragen) van beren (= dragen). Vgl. ’t Mnl. score (schore) = scheur van: scheren – schoor – geschoren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheuren ‘vaneenrijten, door trekken in stukken delen of gedeeld worden’ -> Duits dialect Scheurung ‘werk dat de modderploeg verricht’; Zweeds sköra ‘vaneenrijten, door trekken in stukken delen of gedeeld worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands skur, skēr, sker, skē, ske, skeer ‘vaneenrijten, door trekken in stukken delen of gedeeld worden’; Papiaments sker (ouder: skeer) ‘vaneenrijten, door trekken in stukken delen of gedeeld worden’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut