Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scherts - (gekheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scherts zn. ‘gekheid’
Mnl. schertz ‘gekheid’ [1477; Teuth.]; vnnl. Ick seg voerwaer sonder eenich scertz, Van groote lieffden ontsprunck mijn hertz [1556; iWNT], scherts [1573; Thes.].
Ontleend aan Middelhoogduits scherz ‘gekheid’ [13e eeuw; Kluge] (Nieuwhoogduits Scherz).
Het Duitse woord heeft geen equivalenten in de andere Germaanse talen. Meestal beschouwt men het als een uitbreiding van de wortel pie. *(s)ker- ‘springen, huppelen, dansen’ (LIV 556), waarbij mogelijk wél Germaanse woorden horen: mnl. scheren ‘spotten’ (zie → gekscherend).
Buiten het Germaans wrsch. verwant met: Grieks skaírein ‘springen, dansen’; Litouws skėrỹs ‘sprinkhaan’; Welsh cerddaf ‘wandelt’; en mogelijk ook met oe. hratian ‘zich haasten, vallen’ en on. hrata ‘wankelen, struikelen’ (nzw. rata ‘verwerpen, afwijzen’). LIV scheidt deze woorden van de wortel van → scheren 1. Sanskrit kū́rdati ‘springt, hupt’ kan niet verwant zijn.
schertsen ww. ‘voor de grap zeggen’. Mnl. schersten (lees schertsen) ‘gekheid maken’ [ca. 1470; MNW], schertzen [1477; Teuth.]. Ontleend aan Middelhoogduits scherzen ‘id.’, oudere betekenis ‘huppen, vrolijk springen, zich vermaken’ [1237-52; Gärtner], afleiding van scherz.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scherts* [gekheid] {1477} < middelhoogduits scherz; daarnaast middelnederlands scher(r)en, scharen [scherts], oudnederlands scern {901-1000} oudnoors skart [kostbare kleding], en zonder s, oudengels hratian, oudnoors hrata [wankelen, zich haasten]; buiten het germ. latijn scurra [hansworst], grieks kradainein [zwaaien, schudden], naast skairein [huppelen, springen], litouws skėrelis [sprinkhaan], armeens xalam [ik dans, scherts].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scherts znw. v., Kiliaen noemt het Germ. Sax. Sicamb. Holl. < mhd. scherz m. ‘vermaak, spel’, naast scharz, schurz ‘sprong’ (daaruit ook mnd. schers o. ‘scherts’ en ital. scherzo ‘grap, scherts, spel’). — Zie: schertsen.

schertsen ww., sedert Kiliaen < mhd. scherzen ‘vrolijk springen, zich vermaken, schertsen’ (waaruit ook ital. scherzare ‘schertsen, dartelen, stoeien’). - — Vgl. verder on. skart o. ‘kostbare kleding’, nnoorw. skertast ‘schertsen’, skarta ‘lichtzinnige vrouw’. Zonder s- vgl. oe. hratian, on. hrata ‘vallen, wankelen, zich haasten’. — gr. krádē v. ‘licht bewegende top der takken’, kórdaks ‘vrolijke dans in de komedie’, lat. cardō ‘scharnier, draaipunt’, miers ceird ‘schrijden’, oiers focerdaim ‘werpen’, idg. wt. *(s)kerd, dentaal-afl. van *(s)ker ‘springen’ waarvoor zie nnl. zich wegscheren, laat-mnd. schēren ‘snel weglopen’ ook ‘spotten, honen’, ohd. scerōn ‘uitgelaten zijn’, mhd. scheren ‘ijlen’, en verder ohd. scern ‘scherts’, mnd. scherke ‘meeuwensoort’, on. skāri ‘jonge meeuw’, skirja v. ‘jonge koe’ (IEW 934).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scherts znw., schertsen ww., door Kil. “Germ. Sax. Sicamb. Holl.” genoemd, zelden reeds oostmnl., ook in den Teuth. Uit mhd. (nhd.) schërz m. “ vermaak, spel”, schërzen “vroolijk springen, zich vermaken, schertsen”, waarbij nog mhd. scharz en schurz m. “sprong”. Uit het Hd. ook mnd. schers o. “scherts”, it. scherzo “grap, scherts, spot”, scherzare “schertsen, dartelen, stoeien” (als muziektermen internationaal). Wellicht (in dat geval zijn de ablautende znww. secundaire formaties) uit *schernzen, van ohd. scërn m. o. “scherts, dartelheid, handigheid” = mnl. scēren (scāren, sce(e)rn) o. m. “scherts, spot”, onfr. scërn “illusio, subsannatio”, os. *skërn, waarvan skërnlík “mimicus”. Hierbij ook ohd., os. skirno m. “scurra, histrio”. Germ. *skër-na- hoort bij ’t ww. mnl. scēren (gewoner is scērenen) “dartel zich gedragen, (be-)spotten”, ohd. scërôn “dartel zijn”, mnd. schēren “spotten, hoonen”. Verwant zijn lat. scurra “hansworst”, gr. skaírō “ik spring, dans”, obg. skorŭ “snel”. Anderen zien in mhd. schërz een wortelnomen van de verlengde basis germ. skert-, idg. (s)qerd-, een ablautsvorm van (s)qered-, waarvan ook ratelen en de daar genoemde woorden komen, volgens sommigen ook on. skart o. “pronkerig uiterlijk of optreden”, noorw. skertast “grappen maken”. Met (s)qer- en (s)qered- combineert men nog wel (s)qeres-, waarvan ros I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scherts v., uit Mhd. (Nhd.) scherz, verwant met scheren 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skerts s.nw.
Grap of grappigheid.
Uit Ndl. scherts (Mnl. sher(r)en, scharen).
Ndl. scherts uit Middelhoogduits scherz wat uiteindelik verband hou met Latyn scurra 'hanswors'.
D. Scherz (13de eeu).

2skerts ww.
Grappe maak, gekskeer.
Uit Ndl. schertsen (1855 - 1869).
Ndl. schertsen uit Middelhoogduits scherzen.
D. scherzen (13de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

scherts (Duits Scherz)
schertsen (Duits scherzen)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scherts, van schertsen, dat in ’t Mhd. bet.: vroolijk springen, huppelen, zich verblijden, en bij ons de bet. kreeg van dartel zijn, gekheid maken. Dit schertsen zou staan voor schermen (spr. sjerntsen) als afl. van schern = gekheid, scherts. Vgl.:

„Die ene beeste drivet gherne
Dander, daer si mach, te scherne”,
d.i. het eene beest (vroeger vrouwelijk!) drijft graag als het er kans toe ziet, den spot met het ander.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scherts gekheid 1477 [Teuth.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut