Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scherp - (puntig; heftig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scherp bn. ‘puntig; heftig’
Onl. skarp ‘scherp’ in in tunga iro suert scarp ‘en hun tong (is) een scherp zwaard’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. scherp ‘scherp; bitter, scherp voor de zintuigen’ [1240; Bern.], ook sc(h)arp, sc(h)aerp, in doerne di scaerp ende stekende waren ‘dorens die scherp waren en staken’ [1276-1300; VMNW], ook ‘akelig, hevig e.d.’ in utin scharpen vegeuire ‘uit het akelige vagevuur’, met haren scharpen niede ‘met haar hevige ijver’ [beide 1265-70; VMNW].
Ontstaan uit ouder sc(h)arp, met palatalisatie van de -a- voor r + labiaal zoals bij → nerf 1.
Os. skarp (mnd. scharp); ohd. scar(p)f (nhd. scharf); ofri. skerp (nfri. skerp); oe. scearp (ne. sharp); on. skarpr (nzw. skarp); alle ‘scherp, bitter, ruw e.d.’, < pgm. *skarpa-. Wrsch. is dit een afleiding met ablaut bij de wortel *sker- ‘scheren, afsnijden’, zie → scheren 1 (Kluge, Pfeifer, BDE).
Wrsch. verwant met: Lets šķerbs ‘scherp, gepunt; bitter’, skir̃bti ‘verzuren’, skur̃bti ‘treuren, de moed verliezen’; Proto-Slavisch *chorbrŭ ‘dapper’ (Russisch choróbyj (dial.), Oudkerkslavisch chrabŭrŭ ‘dappere man’), Oudkerkslavisch skrŭběti ‘verbitterd zijn, treuren’; Oudiers cerb ‘scherp, gepunt’, Middeliers cerbaim ‘snijden’ (< Proto-Keltisch *ker-b-); < pie. *(s)kerbh-, *(s)korbh-, *(s)krbh- ‘scherp zijn’ (LIV 557). Balto-Slavisch en Oudiers b kan op pie. *bh teruggaan, maar uit pie. *bh zou pgm. *b volgen; men moet dan latere verscherping aannemen. Zie ook → scherf.
Daarnaast worden deze woorden soms ook in verband gebracht met Latijn scrobis ‘kuil’, maar dat staat in betekenis verder weg.
Oudnoords skarpr betekent naast ‘scherp’ ook ‘(uit)gedroogd, verschrompeld (van een huid, van vis e.d.)’. Kuhn (1960) en NEW willen van deze betekenis uitgaan en veronderstellen verwantschap met → schrapen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scherp* [puntig] {oudnederlands scarp 901-1000, middelnederlands scha(e)rp, sche(e)rp} oudsaksisch skarp, oudfries skerp, oudengels scearp, oudnoors skarpr; buiten het germ. latijn scrobis [greppel], middeliers cerb [scherp], lets skarbs [scherp].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scherp bnw., mnl. scarp, scaerp, scerp, sceerp, onfrank. scarp, os. skarp, ohd. scarf (nhd. scharf), ofri. skerp, oe. scearp (ne. sharp) ‘scherp’, on. skarpr ‘hard, droog, ineengeschrompeld’. — Verder de ww. 1. oe. sceorpan ‘krabbelen, prikkelen’, 2. abl. mnl. scorpen, scurpen ‘opensnijden, ontweiden’, (nog zuidnl.), os. skurpian (vgl. ūtgiskurpian) ontweiden’, ohd. scurfen (nhd. schürfen). — lat. scrobis ‘kuil’, osl. oskrebą ‘schurft’, lett. škarbs ‘scherp, bitter’, lit. skrebiù, skrebti ‘droog zijn’, atskrabaĩ ‘afval’, miers cerb ‘scherp’, cerbaim ‘snijden’, toch. Β kärpye ‘ruw’.

Gewoonlijk brengt men deze woorden op idg. (s)kerb afl. van s(k)er ‘snijden’ (waarvoor zie: scheren) terug, maar uit het oudnoors blijkt, dat men zal moeten uitgaan van een bet. ‘verschrompeld, dor, ingedroogd’. Dan is eerder verband te zoeken met de groep van schrapen; men kan dan verbinden met gr. krámbos ‘dor, verschrompeld, verdroogd’ en woorden als ijsl. herpa, harpa ‘samentrekken’ en met nasaalinfix ohd. (h)rimpfan, oe. hrimpan ‘fronsen’, verder ook schurft en kramp. Op grond van deze vormvarianten denkt H. Kuhn, Festgabe für K. Wagner (1960) 107-113 aan de mogelijkheid, dat deze woordgroep teruggaat op dialectmenging in indogermaanse talen, die op het ontstaande germaans zouden ingewerkt hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scherp bnw., mnl. scarp, scaerp, sce(e)rp. Met e uit a vóór r + labiaal (vgl. derven). = onfr. scarp, ohd. scarf (nhd. scharf), os. skarp, ofri. skerp, ags. scearp (eng. sharp), on. skarpr “scherp”. Hierbij ags. scearpian “een insnijding maken” en met ablaut: 1. ags. sceorpan “krabbelen, prikkelen” (mnl. scerpen “koppen zetten”? Of ouder ar? Of met metathesis?), 2. mnl. scorpen, scurpen “opensnijden, ontweiden” (nog zuidndl.), ohd. scurfen “id.” (nhd. schürfen), os. skurpian (in ût-gi-skurpian “ontweiden”) en 3. de woordfamilie van schrapen. Van de basis idg. (s)qereb- “snijden”, waarvan ook ier. cerb “scherp”, lat. scrobis “groeve”, ksl. skrebą “ik krab, kras”, lett. skarbs “scherp” skrabt “uithollen, krassen, schaven”, lit. àt-skrabai “afval van goed”. (S)qereb- is uit (s)qer- (zie scheren) verlengd. On. skarpr beteekent ook “verschrompeld, uitgedroogd”; in deze bet. behoort het bij on. skorpinn “verschrompeld”, skorpna “verschrompelen, uitdrogen” (zie schrompelen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scherp bijv., Mnl. scarp, Onfra. id., Os. skarp + Ohd. scarf (Mhd. scharf, Nhd. id.), Ags. scearp (Eng. sharp), Ofri. skarp, On. skarpr (Zw. en De. skarp), van Idg. *sqorb-, uitbreiding van den wortel van scheren 1. (z. scherf). Uit het Germ. komt Fr. escarpé en écharper.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

scherpe In 1981 opgetekend in het Land van Axel in Zeeland, als schèrpe. Er wordt een ‘stevige borrel’ mee aangeduid. De naam zal verwijzen naar de smaak of het effect van jenever. Het woord is ook in Twente aangetroffen, als skoarpn. In het Duits spreekt men van een Scharfer.

[Axel 58]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scherp, vermoedelijk van den Germ. wt. skrep = insnijden, inkrassen, inrijten; het bijv.nw. scherp geeft dus te kennen, dat met iets die werking gemakkelijk verricht kan worden: een scherp mes; scherpe tanden. Hieruit fig.: een scherp (bijtend) vocht; een scherp woord, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scherp ‘puntig’ -> Deens skarp ‘(van een schipbodem) spits, puntig’; Negerhollands skerp ‘puntig’; Berbice-Nederlands skarpu ‘puntig’; Papiaments skèrpi (ouder: skerpi, scherpi) ‘puntig, in Aruba ook: klip (steile rots die uit de zee oprijst of aan de zeekant is)’; Sranantongo srapu ‘puntig, steil, geslepen’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans saápu ‘puntig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scherp* puntig 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1796. Eene welversneden pen,

d.w.z. een goede stijl (vgl. hij heeft eene scherpe pen); eig. eene pen, d.i. een ganzepen, waaraan een goede punt is gesneden, die goed vermaakt is; fr. avoir une plume bien taillée; hd. eine gute Feder führen.Zie Halma, 501: Zijne pen is net besneden, hij heeft eenen netten beschaafden stijl, il écrit très-bien; il a un beau stile, son stile est fort coulant; Harreb. II, 177; Ndl. Wdb. XII, 1045. Ook ons woord stijl, fr. style, beteekent eig. schrijfstift, lat. stilus.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut