Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scherf - (afgebroken stuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scherf zn. ‘afgebroken stuk’
Mnl. scherf ‘aardewerken pot’ [1240; Bern.], jn enen scerf soutu onech braden ‘in een pot moet je honing verhitten’ [1287; VMNW], maar meestal ‘plat afgebroken stuk aardewerk’ in Om dat die scerue souden springen ‘opdat de scherven zouden opspringen’ [1290; VMNW].
Afleiding van het verouderde werkwoord mnl. sc(h)erven, sc(h)arven ‘in kleine stukken snijden’ zoals in scervet al te gadere ‘snijd alles bij elkaar in kleine stukjes’ [1351; MNW]. Deze woorden vertonen klinkervariatie voor r + labiaal zoals bij → nerf 1.
Os. scervin ‘scherf’ (mnd. scherve ‘schaal’, schervele ‘scherf’, scherf ‘kleine munt’); ohd. scirbi ‘scherf, pot’ (nhd. Scherbe ‘scherf’, Oostenrijks-Duits Scherben ‘id.’), scerf ‘kleine munt’ (nhd. Scherflein ‘kleine gift, aalmoes’); on. skarfr ‘scherf; houtblok’ (nzw. skarv ‘voeg, verbinding(sstuk)’. Bij mnl. scherven ‘in kleine stukken snijden’ horen: mnd. scherven, scharven ‘id.’; ohd. scarbōn ‘id.’; oe. scearfian ‘id., schrapen’; < pgm. *skarbōn-. Hierbij hoort zonder grammatische wisseling ook een sterk werkwoord pgm. *skerfan-, waaruit alleen oe. sceorfan ‘afknagen, bijten’ is overgeleverd.
Al deze woorden zijn afgeleid van de wortel pie. *(s)kerbh- ‘scherp zijn’, een uitbreiding van de wortel (s)ker- in scheren 1, en zie → scherp. Qua vormen en betekenis is ook de reconstructie pie. *(s)kerp- ‘afsnijden, afplukken’ mogelijk (NEW); zie → herfst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scherf* [stuk van gebroken voorwerp] {scherve, scherf [scherf, een kleine munt] 1201-1250} oudhoogduits scerf [kleine munt], oudengels sceorf, oudnoors skarfr [schuins afgesneden houtblok]; van dezelfde stam als scheren1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scherf znw. v., mnl. scarf, scerf, sceerf m. o., scerve v. ‘scherf, brok, pot, pan, een muntstukje’. Men kan onderscheiden 1. vorm met a: mnd. scharf o. ‘klein muntje’, on. skarfr ‘schuins afgesneden houtblok’, 2. met e: mnd. scherf ‘muntstukje’, ohd. scerf (nhd. scherflein), 3. met i: ohd. scirbi v.o. ‘scherf, aarden pot’ (nhd. scherbe), os. skerƀīn o. ‘aarden pot’. — Hiertoe behoren de ww. mnl. mnd. scharven, scherven, ohd. scarbōn ‘in kleine stukken snijden’ en oe. scearfian ‘id’ naast sceorfan ‘knagen, bijten’. — Idg. wt. *(s)kerp vgl. lett. šk’ērpêt ‘graszoden snijden’, šk’ẽrpis ‘ploegmes’ en van *kerp: lat. carpo ‘plukken’, gr. karpós ‘vrucht’, krṓpion ‘sikkel’, oi. kṛpāṇa- m. ‘zwaard’, karpara- o. ‘scherf’, m. ‘schaal, schedel’, oiers corrán ‘sikkel’, cirrim ‘afslaan, verminken’ (rr < rp), lit. kerpù, kir̃pti ‘knippen’, lett. cę̀rpu, cìrpt ‘scheren’, osl. črěpŭ ‘scherf’ (IEW 944-945); afl. van de wt. *(s)ker, waarvoor zie: scheren. — Zie ook: herfst en schurft.

De bet. ‘klein muntstukje’ is van de Neder-Rijn uitgegaan; het nhd. scherflein (bekend in Markus 12, 42) is door Luther uit Erfurt overgenomen. Het is niet een bijzondere bet. ontw. uit scherf, maar behoort bij het hierboven genoemde ohd. scarbōn en zal wel in het bijzonder de Romeinse munt met getande rand aanduiden, de nummus serratus bij Tacitus, Germ. c. 5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scherf znw., mnl. scarf, scerf, sceerf m. o., scerve v. “scherf, brok, pot, pan, een muntje”. Hierin zijn vormen met a en met e, eventueel ook met i, samengevallen: vgl. 1. mnd. scharf o. “klein muntje”, on. skarfr m. “stompje, eindstuk”; 2. ohd. scerf (nhd. scherf(lein)), mnd. scherf o. ‘“klein muntje”; ’t laatste kan ook = scharf zijn; 3. ohd. scirbi v. o. (nhd. scherbe v.), os. skerƀin o. (in samenst.) “aarden pot” (wsch. e < i). Hierbij de ww.: 1. ohd. scarbôn, mnd., mnl. scharven, scherven (nog zuid-ndl.) “in kleine stukken snijden”, ags. scearfian “id.”, 2. ags. sceorfan “knagen, bijten” (de mnl., mnd. e-vorm hoort wsch. niet onder 2; vgl. scherp). Verwant zijn ksl. črěpŭ “scherf”, russ. čérep “schaal (van schaaldieren), schedel”, opr. kerpetis “schedel”, lett. schkˊêrpele “splinter”, oi. karpara- “schaal, hersenpan”, misschien gr. skorpíos “schorpioen, een stekelige zeevisch”, niet arm. kaṙapʿn “schedel”. De basis (s)qerp- is uit (s)qer- (zie scheren) verlengd; wellicht is ’t uitgangspunt der verlengde basis een nomen *(s)qerpo- “afgesneden stuk” geweest. Sommige der bij herfst genoemde woorden hooren misschien bij dit (s)qerp- en niet hij de daar besproken gelijkluidende basis, die “een pluk-, grijpbeweging maken” beteekent. Er is weinig reden om de beide bases voor identisch te houden. Vgl. nog schreef, schurft. Kerven kan niet verwant zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

scherf. Buiten het Germ. zijn wsch. nog ier. corrân ‘sikkel’, cirrim ‘ik sla af, vermink’ (rr < rp) verwant. Ook gr. sképarnos, -on ‘soort bijl’ (< *skérpanos: Niedermann IF. 37, 149 vlgg.)? Zie echter bij schaven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scherf v., Mnl. id., scherve, Os. skirƀin + Ohd. scerf, scirbi (Mhd. scherbe, Nhd. id. en scherflein), Ags. scearfe + Osl. rĕpŭ, Lett. schk’êrpele = splinter, van Idg. *sqerp-, uitbreiding van den wortel van scheren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skerf s.nw.
Stuk gebreekte glas, erdewerk, porselein, e.d.
Uit Ndl. scherf (al Mnl.), gevorm van dieselfde stam as scheren 'afsny'.
D. Scherbe.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scherf ‘stuk van gebroken voorwerp’ -> Fries skerf ‘stuk van gebroken voorwerp’;? Duits Scherflein ‘(historisch) muntstukje met lage waarde; aalmoes, kleine bijdrage’; Deens skærve ‘steenslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skärv ‘muntstukje met lage waarde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skärva ‘stuk van gebroken voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments skerfi ‘stuk van gebroken voorwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scherf* stuk van gebroken voorwerp 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut