Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheren - (baard afsnijden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scheren 1 ww. ‘haren verwijderen, rakelings langs iets gaan’
Onl. skeran ‘scheren’ in thaz corter thero scorenon scapho ‘de kudde geschoren schapen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sc(h)eren ‘haren verwijderen’ in huo si hem gemenlike scheren sullen ‘hoe ze zich allemaal het hoofdhaar moeten scheren’ [1236; VMNW]; vnnl. ook overdrachtelijk ‘snel vlak langs een oppervlak strijken’ in Dat u hooft met eenen pantoffel onsochte Gheschoren wert [1555; iWNT], Sy komen ... by der aerde scheeren ‘ze komen langs de aarde vliegen’ [1653; iWNT].
Mnd. scheren; ohd. skeran (nhd. scheren); ofri. skera (nfri. skarre ‘scheren (wol, riet)’, naast skeare ‘scheren (baard e.d.)’ dat is ontleend aan het nnl.); oe. sceran (ne. shear); on. skera (nzw. skära); alle ‘scheren, afsnijden (o.a. van haar)’, < pgm. *skeran-. Afleidingen van dezelfde wortel *sker- zijn o.a.schaar 1, → scheur, → schort, → schorten en mogelijk → schar, → scherf en → scherp.
Verwant met: Grieks keírein ‘afsnijden, scheren’; Armeens kcerem ‘afkrabben’; Albanees shqerr ‘afscheuren’; < pie. *(s)ker-, *(s)kr-, *(s)kor- ‘afsnijden, afkrabben’ (LIV 556). Wrsch. ook verwant met: Umbrisch kartu ‘zal verdelen’, Latijn carō (genitief carnis) ‘vlees’ (< ‘stuk vlees’, zie → carnivoor); Litouws skìrti ‘scheiden, verdelen’; Oudiers -scara ‘scheidt’; voor deze woorden reconstrueert men een vorm (afleiding?) met laryngaal: pie. *sker-H-, skr-H- ‘scheiden, verdelen’ (LIV 558). Volgens LIV wijken de wortels *(s)ker- en *(s)kerH- in betekenis te veel van elkaar af en zijn zij niet verwant. Zie ook → herfst, → kort en → kuras.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheren1* [baard afsnijden] {scher(r)en 1236} oudsaksisch skeran, oudfries, oudnoors skera, oudhoogduits sceran, oudengels scieran (engels to shear); buiten het germ. latijn caro [vlees, eig.: een afgesneden stuk], grieks keirein [snijden], oudkerkslavisch skora [huid], kora [boomschors], oudiers scaraim [ik scheid], oudindisch kṛntati [hij snijdt] → schaarde, geschoren.

wegscheren, zich* [ophoepelen] {1681} middelhoogduits schern, middelnederduits scheren [snel weglopen], van scheren [schaven], vgl. middelnederlands schaven [zich wegpakken, zich wegscheren].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zich wegscheren

Dit wederkerende werkwoord komt vrijwel alleen in de gebiedende wijs voor. Men zegt: scheer je weg! maar: de dief scheerde zich weg is hoogst ongebruikelijk. Het is waarschijnlijk dat wij het werkwoord aan het Duits hebben ontleend. Daar bestaat in de spreektaal sich scheren voor: zijn biezen pakken, sich packen zoals de Duitser ook zegt. Wij hebben te maken met een werkwoordsstam die verwant is met het Griekse skarein dat: huppelen, springen, dansen betekent en waarvan ook ons woord scherts familie is. Het Italiaans heeft scherzo: grap, spel, een woord dat ook als muziekterm wordt gebezigd. Ook schrikken hoort hierbij. Het gemeenschappelijke in al deze woorden is de vlugge beweging die men maakt, lopend, dansend, aan het schrikken gemaakt, of de benen nemend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheren ww., mnl. scēren (sterk) ‘schaven, schrappen, scheren’, os. skeran, ohd. sceran (nhd. scheren) ‘scheren, afsnijden’, ofri. skera ‘scheren, maaien’, oe. scieran ‘scheren, snijden’ (ne. shear), on. skera ‘snijden, afsnijden, scheren, slachten, beitelen’. — Idg. wt. *(s)ker ‘snijden’: gr. keírō ‘snijden, scheren’, lat. caro ‘vlees’ (umbr. karu ‘deel’), oi. apa-skaram ‘uitsnijding’, kṛṇāti ‘verwonden, doden’, arm. kcerem ‘schaaf’, oiers scaraim, lit. skiriù ‘snijd af, scheid’, alb. kor̃ ‘snijd af’, šker ‘ruk af, los’ (IEW 938-940).

Daarnaast staat een zwak ww. *skarjan, vgl. mnl. scēren ‘scharen, schikken, toedelen, bepalen, beramen, spannen’ (zie: schering). Kiliaen scheeren, scheren ‘gereed maken, voorbereiden, vormen, doen, handelen’, os. skerian ‘toedelen, bepalen, indelen’, ohd. scerian ‘toedelen, bepalen’ (nhd. bescheren), oe. scierian ‘toedelen, beschikken’. — Nnl. zich wegscheren is waarsch. aan het hd. ontleend, vgl. mhd. schern, laat-mnd. scheren ‘snel weglopen’, maar dit hoort eerder bij de wt. *(s)ker ‘springen, rondspringen’, waarvoor zie: scherts. — Zie ook nog: gekscheren.
Voor de samenhang van de uitgebreide van deze wortel afgeleide familie zie vooral J. Trier PBB 69, 1947, 425-432. — Van de wortel *(s)ker zijn verder afgeleid schaar, scheer, scheur, schor en het ww. haren. Verder zijn er afl.
met d zie: schort, schorten
met t zie: schaard, schrander
met b zie: scherp, schrapen
met p zie: scherf, schraven
met n zie: scheerling
met m zie: scherm
met s zie: scharrelen
*skrei zie: schrijven
*skreu zie: schroeien 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheren ww., mnl. scēren (sterk) “schaven, schrappen, scheren”. = ohd. scëran “scheren, afsnijden” (nhd. scheren), os. skëran “id.”, ofri. skëra “scheren, maaien”, ags. scieran “scheren, snijden” (eng. to shear), on. skëra “snijden, stuksnijden, afsnijden, scheren, slachten, beitelen”. Verwant met ier. scaraim “ik scheid”, lat. caro “vleesch”, oorspr. “(afgesneden) stuk” blijkens osk. carneis “partis” en umbr. karu “pars”, gr. keírō “ik scheer, snijd af”, russ. dial. korˊ “mot” (voor de bet. zie bij mol I en mot I), lit. skiriù, skírti “scheiden”, alb. škˊer “ik scheur vaneen”, arm. kʿerem, kʿorem “ik kras, schrijf”, oi. kṛṇā́ti, kṛṇóti “hij wondt, doodt”. Een met t verlengde basis (wellicht oorspr. praesensstam) in lit. kertù “ik houw”, russ.-ksl. črĭtu, črěsti “snijden”, oi. kṛntáti “hij snijdt”, (arm. kʿertʿem “ik vil, schil”?), alb. kˊeϑ “ik scheer”; vgl. ook nomina als lat. cortex “schors”. Uit het Germ. zijn o.a. nog verwant de bij haren, schaar I, schaar II, schaard, scheer, scheur, schor II, schrander besproken woorden, benevens ’t zwakke ww. *skarjanan, mnl. scēren “scharen, schikken, toedeelen, bepalen, beramen, spannen” (hierbij nnl. schering, Teuth. scheryng, mnd. schēringe v.; verder leeft het ww. voort in de ook in ’t Du. voorkomende samenst. bescheren, mnl. nog met zwak verl. deelw. besceert, wsch. ook in gekscheren; vgl. Kil. scheeren, scheren “parare, praeparare, ordinare, formare, fingere, agere, gerere” en zie bij gekscheren), ohd. scerian “toedeelen, bepalen” (nhd. in bescheren), os. skerian “id., indeelen”, ags. scierian “toedeelen, beschikken”; verder mhd. schuor v. “het scheren” (nhd. schur), westf. schôr v. “id., schering.” Zie nog voor verlengde bases scharrelen, scherf, scherp, schort, schorten. Nnl. zich weg-scheren is wsch. een germanisme; mhd. schërn, laat-mnd. schēren “snel wegloopen”, nnl. zich (weg)scheren “id.” = scheren “afsnijden” en niet met scherts verwant. Vgl. mnl. hēnen scāven in gelijke bet.

wegscheren (zich) ww., nog niet bij Kil. Zie bij scheren, aan het eind.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheren 1 o.w. (snijden, afscheren), Mnl. id., Os. sceran + Ohd. sceran (Mhd. schern, Nhd. scheren), Ags. scieran (Eng. to shear), Ofri. skera, On. id. (Zw. skära, De. skjœre) + Skr. kṛṇāti = wonden, Arm. k‘erem = krassen, Gr. keírein (d.i. skeirein) = snijden, Alb. škʼer = vaneenscheuren, Lat. caro = (afgesneden stuk) vleesch, Oier. scaraim, Lit. skírti = scheiden: Idg. wrt. s-qer. Scheren = afdeelen, schikken, toedeelen, Mnl. id., Os. skerian is met e = ä een denom. van schaar 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skeer: baard, hare of wol afsny; rakelings oor iets heenvlieg; Ndl. scheren (Mnl. sceren), Hd. scheren, Eng. shear, hou wsk. verb. m. Gr. keirein, “afsny”, mntl. ook m. Lat. caro, “stuk vleis” (afgesny v. liggaam), verb. met o.a. skaar, skêr, skerf, skerm, skerp, skermutseling.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

scheren. In het kluchtspel Verliefde Breckje [1705] van P.W. van Haps komt de volgende verwensing voor: “O, jou loozen! Weet jij ’t zo te draaijen? ben jy van dat hair, zo scheer jou de boozen.” Vertaald wil dat zeggen: ‘O, jij bedrieger! Weet jij het zo te verdraaien! Moge de duivel je haar zo afscheren dat jij van dat soort bent.’ Deze verwensing sluit aan bij de betekenis ‘het haar afsnijden’. Het kwaad zit hem hier evenwel in het feit dat de duivel uitgenodigd wordt dit te doen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheren, oorspr. snijden, vgl. ’t haar scheren, van den Idg. wt. sker stuksnijden, stukhakken. Daar scheren in de bet. van „den baard scheren” ook het begrip toeliet: maar even aanraken, ontstond de uitdrukking: de zwaluw scheert het watervlak.
In het Mnl. bestond nog een ander scheren, n.1. in de bet. van: afdeelen, schikken, regelen, bijv. de ketting op het weefgetouw scheren = de draden schikken, regelen, netjes naast elkander spannen; van daar schering en inslag; inslag is dan de draad, die door middel der spoel door de schering wordt geslagen: de even scheringdraden wippen omhoog, de oneven omlaag, hier schiet dan de spoel doorheen; bij een volgenden inslag komen de oneven draden boven. Vgl. verder: zijn beschoren lot: zijn afgedeeld, toegedeeld beschikt lot (schikken = ordenen, regelen). – Bij deze bet. behoort ook den gek scheren; immers hier is scheren óók toedeelen, n.1. den tooneelrol; zoo zei men vroeger: den edelman, den grooten heer, den prins scheren (= spelen); den haan scheren: den haan of baas spelen, den beest scheren, den zot scheren, enz. Den gek scheren was dus: voor gek spelen; en met iemand den gek scheren: met iemand dwaas doen; hem voor een gek (of den gek) laten spelen, houden of aanzien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheren ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’ -> Engels sheer ‘sterk van koers afwijken’; Frans déchirer ‘verscheuren; doorklieven; grote morele pijn veroorzaken’ Frankisch; Negerhollands skeer, skēr ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’; Berbice-Nederlands skeri ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’; Skepi-Nederlands skler ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’; Sranantongo sker ‘(baard) afsnijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheren* baard afsnijden 1100 [Willeram]

wegscheren, zich* ophoepelen 1811 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

661. Ergens leelijk mee geschoren zijn (of zitten),

d.w.z. geplaagd, gekweld zijn met eene onoverkomelijke zwarigheid, verlegen zijn met iets, blijven zitten met iets. Het volt. deelw. geschoren behoort bij het ww. scheren, snijden, villen, fig. plunderen, kwellen, plagen; vgl. het mnl. ongescoren, niet gekweld, niet lastig gevallen, met rust gelaten; mhd. ungeschorn; nhd. ungeschoren in de uitdr. einen ungeschoren lassen, iemand met rust laten; daarnaast nhd. scheren, plagen, ergeren: es schiert mich; es hat mich geschoren. Zie Mnl. Wdb. VII, 474; Paul, Wtb. 437; Sewel, 264: Geschooren, bedot worden, to be cheated; hy zal er nog meê geschooren zyn, he will have still a great deal of trouble with it; Halma, 175: Ergens mee geschoren of belemmerd zijn, être embarassé de quelque chose; hij zal met den gek geschoren of gebruid zijn, il sera fort embarassé de ce fou; Schuermans, 150; Waasch Idiot. 251 b: met iets of met iemand geschoren zijn, er mee bedrogen zijn; Antw. Idiot. 1072.

1064. Over éen (of denzelfden) kam scheren,

d.w.z. op dezelfde wijze behandelen; geen onderscheid maken tusschen den een en den ander; eene spreekwijze ontleend aan de weverij, zoodat kam hier weverskam beteekent, die breed en fijn is, naar gelang het stuk, dat men weeft, breed en fijn is; eig. wil de uitdr. derhalve zeggen: de draden spannen (scheren) over denzelfden kam, en daarna bij overdracht: iets op dezelfde wijze behandelen, gelijk beoordeelen.Anderen denken aan den haarkam of den wolkam, waarop het haar genomen wordt, waardoor het snijden gelijkmatig kon geschieden. Zie Mnl. Wdb. III, 1135; Ndl. Wdb. VII, 1040; XI, 243; Grimm, V, 102; Halma, 253 en 561. Vgl. Campen, 133: Hy scheertste al te saemen over eenen cam; Hooft, Ned. Hist. 215; 291; in de 17de eeuw ook op denzelfden kam scheren (o.a. bij Hondius, Mouf. 141; 338; Poirters, Mask. 146) en iemand op eenen anderen kam zetten, iemand anders behandelen (Coster, 30, vs. 598); fri. alles oer ien kaem kjimme naast alles oer ien line lûke (over éen lijn trekken). Vergelijk hiermede Joos, 78: ze zijn op eenen kam geschoren; De Bo, 485; Waasch Idiot. 322 a; Antw. Idiot. 614: zij zijn in (op of door) denzelfden kam geschoren, d.i. zij verkeeren in denzelfden toestand of hebben hetzelfde karakter; in eenen aardigen kam geschoren zijn, in een vreemden, moeilijken toestand zijn; hd. alles über einen Kamm scheren, über einen Leisten schlagen (op dezelfde leest schoeien); nd. alles over ên Kamm scheren (Eckart, 244); eng. to weave all pieces on the same loom, uitdrukkingen, die in beteekenis overeenkomen met de vroegere met éen kwast of kwispel overstrijken (Van Effen, Spect. XI, 45; De Brune, Embl. 308); over denzelfden stok water doen dragen (Marnix, Byenc. (ed. 1640), 4 b; De Brune, Embl. 256) en met denzelfden boender schrobben (Com. Vet. 71Door contaminatie van over één kam scheren en over één boeg liggen of zeilen is ontstaan alles over êén boeg scheren, dat voorkomt in De Arbeid, 15 April 1914, p. 4 k. 3: Het spijt mij dat de schrijver alles over één boeg scheert; .... Als het waar is dat alles over één boeg geschoren moet worden, enz.; ze allemaal in één mand spittenN. Taalgids XI, 305..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut